'Populisme toont succes democratie'

Dat stelt Sjaak Koenis in zijn oratie bij het aanvaarden van het hoogleraarschap sociale filosofie aan de Universiteit van Maastricht op 16 februari 2012.

Het grote onbehangen heerst in Nederland. Mensen zijn boos op de overheid, op de culturele elite, op de banken, op elkaar. Vooral via sociale media en op andere internetplatforms uiten burgers hun ongenoegen, veelal anoniem. Vaak ontaarden deze reacties in gescheld en soms zelfs in bedreigingen. 'Gedacht wordt dat deze maatschappelijke woede het falen van onze democratie laat zien. Dat zou dan blijken uit de opkomst van populisten als Pim Fortuyn, Rita Verdonk, en Geert Wilders. Zonder populisme verdwijnt dat onbehagen, denken veel mensen' vertelt Koenis. Maar dat zal niet gebeuren, zo verwacht hij.

Het populisme is niet de oorzaak van de huidige woede, maar geeft er uitdrukking aan. De boosheid is niet het gevolg van het falen van de democratie, maar juist het succes ervan'. Dat klinkt tegenstrijdig, omdat op zoveel plekken op de wereld mensen vechten voor democratie. Sommigen zijn zelfs bereid hun leven er voor te geven. Maar die heeft ook een duistere kant, die afgunst en rancune voortbrengt, stelt de wetenschapper. Twee ontwikkelingen zijn daarvoor van belang. Ten eerste blijkt het principe van 'we zijn allemaal gelijk' in de praktijk lastig in te vullen, ook al is de duidelijke rangorde die heerste in de vroegere standenmaatschappij verdwenen. 'Feitelijk is en blijft iedereen verschillend, eenvoudigweg omdat mensen verschillen in talent, energie en wat het lot voor hen in petto heeft'.

De verschillen tussen de klassen zijn verdwenen, maar daarvoor is teruggekomen het onderscheid tussen hoog- en laagopgeleiden of succesvolle en minder succesvolle mensen. Dit wakkert een diepgewortelde wrok jegens anderen steeds verder aan. 'Die emotie wordt nog intenser als betrokkenen niet in staat zijn iets aan hun positie te veranderen. Het onbehagen en de wrok worden versterkt door een tweede ontwikkeling: de teloorgang van traditionele gemeenschapsidealen. 'Die zorgden tijdens de verzuiling voor een stevig fundament. Nu die idealen en standen er niet meer zijn, raken mensen veel sneller in onzekerheid. zeker in tijden van economische teruggang zoals nu'. 

Koenis verwacht niet dat het onbehagen zal verdwijnen, ook niet als het ons economisch weer voor de wind gaat. 'De verschillen tussen hoger- en lageropgeleiden zullen blijven. Er is nu binnen de politiek sprake van een overgangsfase, politici proberen een houding te vinden ten opzichte van alle nieuwe ontwikkelingen. Dat zag je ook tijdens de democratiseringsgolf in de jaren '60 en '70 van de vorige eeuw. Maar middenpartijen zullen nooit meer zo'n grote achterban hebben zoals vroeger'. Koenis adviseert politici daarom het onbehagen serieus te nemen. 'Ze moeten leren omgaan met het gegeven dat hun gezag, maar ook dat van leerkrachten en rechters, altijd ter discussie kan en zal worden gesteld. Dat is democratie. Tegelijkertijd mogen burgers wat meer hun eigen verantwoordelijkheid nemen en niet altijd maar oplossingen verwachten van de overheid'.

© Brabants Dagblad 15 februari 2012


'Zonder kennis geen vrije wil'

In een serie onderzoekt Trouw de door neurologen veronderstelde dood van de vrije wil. Tweede Kamerlid Ahmed Marcouch hield een gastpreek waarin hij inging tegen het islamitische ’lotsdenken’. De vrije wil is voor hem een politiek ideaal.

Het is bijna een onmogelijke vraag voor Ahmed Marcouch, Tweede Kamerlid voor de PvdA en voormalig stadsdeelvoorzitter van het Amsterdamse stadsdeel Slotervaart. Het is, zegt hij, een vraag die ingaat tegen alles waar hij voor staat. Hoe zouden we de samenleving moeten inrichten als we zouden luisteren naar de neurologen die zeggen dat de menselijke vrije wil niet veel meer is dan een illusie?

Hij zou niet weten wat hij als politicus nog zou moeten beginnen. „Leuk dat Trouw zo’n vraag stelt. Maar ik weet wat zo’n visie met mensen doet: het maakt ze passief. Veel moslims leven in het lotsdenken.

„Ze geloven dat de getuigenis, de aalmoes, de ramadan, bidden en de hadj (de bedevaart naar Mekka, red.) hen superieur maakt, beter dan anderen. Ook als ze slechte vaders zijn, geen werk hebben of hun opleiding niet hebben afgemaakt. Zolang ze de rituelen maar hebben geëerbiedigd, is wat in het leven volgt te wijten aan het lot. Dat is ook een vorm van leven zonder vrije wil: als individu kom je er nauwelijks aan te pas.

„Het is een gevaarlijke en contraproductieve houding. Wordt de toekomst van je kinderen bepaald door het lot, dan hoef je hen niet op te voeden. En je hoeft ook niet je best te doen bij sollicitaties.”

Ahmed Marcouch (Marokko, 1969) maakte naam als de ’sheriff van Slotervaart’, de eerste Marokkaanse en islamitische stadsdeelvoorzitter (burgemeester) van Nederland, in een probleemwijk in Amsterdam West. Zijn harde en bij vlagen provocatieve aanpak maakte hem populair, maar zorgde er ook voor dat sommige moslims hem ’geen echte moslim’ vinden, terwijl anderen hem er juist van beschuldigen ’een wolf in schaapskleren’ te zijn die Nederland wil islamiseren.

Ondanks steun van de landelijke partijtop werd hij niet herkozen als lokale lijsttrekker. Wel kwam hij dankzij 12.000 voorkeursstemmen in de Amsterdamse gemeenteraad. Die zetel verruilde hij in september voor een plek in de Tweede Kamer.

Het is maandagochtend, kwart over negen als hij het café binnenkomt en hij is alweer toe aan zijn tweede interview van de week. Zondag hield hij een gastpreek in een remonstrantse kerk en in de Amsterdamse popzaal Paradiso een lezing over Spinoza.

Zijn uitgever noemt hem ’een rolmodel’. Aan ijver en uitstraling heeft hij geen gebrek. Levendige ogen, energieke houding, bijna voortdurend een glimlach op het gezicht. Hij heeft iets van een ster, zoals hij opvallend onopvallend het café betreedt. Als hij plaatsneemt, glijdt hij uit. Hij herpakt zich snel en kijkt onmiddellijk gedecideerd onaangedaan om zich heen.

Zijn onlangs verschenen autobiografie is het verhaal van een man die als jongen intens blij was dat hij naar Nederland mocht komen. „Ik was als Sjakie die de gouden wikkel had gevonden, waar het hele dorp naar op zoek was. Ik was tien, maar ik had nog geen dag fatsoenlijk onderwijs gekregen. Eén van mijn oudere broers wel, maar dat was grotendeels mazzel. Toen ik eenmaal hier was, heb ik elke kans gegrepen om mezelf te ontwikkelen.”

Schoolvoorbeeld van een sterke wil, zou je zeggen.

„Deels misschien wel. Maar deels ook niet. Anders dan mijn broer berustte ik in Marokko nog in mijn lot. Ik ben niet zelf naar school gegaan, zoals hij. In Nederland kreeg ik veel prikkels om het goede te doen. Mijn vader herinnerde me er voortdurend aan dat ik kansen kreeg die hij nooit gehad had. Het beeld van mijn vriendjes in het dorp stond me nog helder voor ogen. Hoe jammer zou het zijn als ik de kansen zou verprutsen die zij niet kregen.”

In zijn preek over de vrije wil en het lot ging Marcouch in op het verhaal uit de Bijbel en de Koran over de uittocht van Mozes en de Israëlieten uit Egypte. De aanloop naar die reis door de woestijn is volgens Marcouch ’een verhaal over mensen die niet in beweging willen komen’.

Mozes weigert de leiding te nemen, de farao wil het volk niet laten gaan en de Israëlieten zijn zo lang slaven dat ze vergeten zijn dat ze ooit weg wilden. „Ze zijn gevormd in slavernij. Wie de opties niet kent, kan niet kiezen. Anders gezegd: wie geen kennis heeft, heeft geen vrije wil.

„God blijft in het verhaal aandringen, hij blijft de mensen oproepen om in beweging te komen, net zolang tot ze luisteren en gáán. God stelt zich uitermate paternalistisch op. Dat doet hij uit liefde. Omdat hij weet wat Mozes en het volk niet weten.”

Wat als het volk er uit vrije wil voor kiest om in Egypte te blijven?

„Als je dat denkt, bega je de fout die de Nederlandse politiek jaren gemaakt heeft ten aanzien van immigranten. Neem de moslimvrouwen zoals ik ze leerde kennen in Amsterdamse wijken. Die brengen hun levens vaak binnenshuis door. Van geslacht op geslacht. Nog steeds leven hier vrouwen die zelfs voor de boodschappen niet buiten komen. Niet omdat hun mannen hen daarvan weerhouden, al leveren de mannen meestal geen gunstige bijdrage aan hun bewegingsvrijheid, maar omdat ze zo gevormd zijn. Die vrouwen leggen de beperking aan elkaar op.

„Het is een groot misverstand om dit een uiting van de vrije wil te noemen. Dat hebben we twintig jaar gedaan, met al onze multiculturele idealen en de wens om respect te hebben voor ieders overtuigingen.

„Pas als die vrouwen het alternatief kennen, als ze weten wat het is om onderwijs te krijgen of een baan te hebben, en dan nog zeggen: ’Ik blijf liever thuis’, ben ik bereid hun keuze te respecteren.”

Is het niet tegenstrijdig om mensen ergens toe te dwingen omdat ze anders hun vrije wil niet zouden volgen? 

„Aandringen op zelfverwezenlijking, onderwijs en emancipatie geldt als paternalisme en heeft een negatieve bijklank. Terwijl ik denk dat paternalisme nodig kan zijn, omdat je zonder kennis niet vrij bent. Ik zou willen dat ook de instituties die overtuiging hadden en ernaar handelden: mensen vormen in plaats van hen passief maken.”

Je kunt mensen toch moeilijk verbieden om in het lot of in goddelijke voorbeschikking te geloven?

„Dat hoeft ook niet. Ik ontken het lot zelf ook niet. Alleen moet je jezelf er pas aan overgeven als je alles gedaan hebt wat in je mogelijkheden ligt. In een verhaal uit dehadith, de profetische traditie, zegt een man tegen de profeet: ’Ik heb mijn kameel niet vastgezet, ik heb hem aan Allah overgelaten’. De profeet zegt dan: ’Je moet eerst je kameel vastzetten, daarna kun je hem aan Allah overlaten’.

„Ik ontken het lot noch de vrije wil. Het gaat mij erom dat de politiek en overheid soms iets moeten doorbreken om mensen die niet beter weten een nieuw perspectief aan te reiken.”

© Trouw 2010, 20 november 2010

Hollandse droom

’Moussaa, die twee broers boven mij zat, had geluk. Aan het begin van het schooljaar glipte hij stiekem, alsof het om een voetbalwedstrijd ging, een schoolklas binnen.

Toevallig werd die klas net naar een anders schooltje verhuisd. Moussaa stond niet op de leerlingenlijst, maar de controleur dacht dat er iets fout was gegaan bij de verhuizing en schreef hem in als officiële leerling.

Ik was stikjaloers. We hadden altijd gevechten over z’n boeken, die ik dolgraag wilde zien. Moussaa had kleurpotloden, maar daar moest iedereen van afblijven. Ik wilde zó graag naar school, dat ik de geur van school zelfs kon ruiken aan zijn schooltas en potloden. Het was een obsessie. Maar om naar school te kunnen gaan, moesten je ouders – lees: je vader – je inschrijven. En die vader was er niet. Hij vond het ook niet relevant, ik zat tenslotte al op de Koranschool. Dat werd beschouwd als voldoende en heilig.’


Pleidooi voor sterk secularisme

Kinderen behoren vrij van religie te zijn. Het is immoreel om een kind als katholiek, jood, moslim, hindoe of boeddhist te bestempelen. Het zou hetzelfde zijn wanneer kinderen bij hun geboorte lid worden van een politieke partij en dat ze wekelijks naar partijbijeenkomsten gaan en naar een school met die politieke kleur. Het klinkt raar: een liberaal kind, een Vlaams Belang kind, een christen-democratisch kind. Maar waarom klinkt een ‘katholiek kind’ de meeste mensen dan niet vreemd in de oren? Ik liep onlangs op de Meir in Antwerpen. In etalages van modewinkels werd communiekleding aangeprezen. Communie is een inwijdingsritueel bij een religie. Het vergt wellicht reflectie om te beseffen dat hier iets grondigs verkeerd is. Stel dat er in de winkel Vlaams Belang kleding of liberale pakjes lagen voor het kinderlidmaatschap van politieke partijen.

Fascistische politieke partijen hebben van georganiseerde religie afgekeken dat het indoctrineren van kinderen belangrijk is om irrationele intolerante ideologieën over te dragen en hebben jeugdorganisaties opgericht. De basiswaarde van de open liberale samenleving is de vrijheid van het individu. Laten we even uitzoomen en reflecteren wat de rol van de overheid en de samenleving is. Kinderen behoren vrij te zijn en goed geïnformeerd over de verschillende keuzemogelijkheden en dan op volwassen leeftijd zelf te kiezen voor en levensbeschouwing en een politieke stroming, naast al die andere autonome individuele keuzes, zoals de keuze van een partner, werk, studie, et cetera. Oud-voorzitter van het Humanistisch Verbond in Nederland, Rob Tielman, heeft er met nadruk op gewezen dat een kernwaarde van humanisme het recht op zelfbeschikking is, of in ieder geval zou moeten zijn. Zelfbeschikking is iets anders dan dat ouders het recht hebben om hun kinderen naar believen te indoctrineren en in te lijven bij hun sociale, religieuze en/of politieke stroming.

Waarom leven wij eigenlijk met elkaar samen in een natiestaat onder leiding van een democratisch gekozen gezag? Wat is de fundering van ons samenlevingsmodel? Dit is een politiek filosofische vraag, waar we over het algemeen niet bij stilstaan, maar dat van cruciaal belang is. Stel namelijk dat bij reflectie zou blijken dat de samenlevingsvorm of delen daarvan onrechtvaardig zijn, wat dan? Het basale idee van een democratische samenleving is dat wij, het volk, door samen te werken en een deel van onze vrijheid af te staan, er met zijn allen beter van worden; in ruil garandeert de overheid (die onder leiding staat van gekozen burgers) onze vrijheden en faciliteert die door het creëren van een infrastructuur. De fundamentele taak van de overheid is het beschermen van de vrijheid van het individu. Liberaal denker Dirk Verhofstadt brengt dit belangrijke punt onvermoeibaar naar voren, zoals in zijn boek over Pleidooi voor individualisme (2004). Onafhankelijk van wie dat individu is en in welke sociale groep dat individu zich bevindt, dient elk individu dezelfde vrijheden en rechten te genieten.

De overheid moet alle burgers (alle mensen op haar grondgebied), inclusief kinderen en vrouwen, beschermen tegen geweld en sociale vrijheidsbeknotting. Echter doordat de overheid een liberale overheid is, zijn de middelen om dat doel te bereiken beperkt. Desalniettemin moet ernaar gestreefd worden. De overheid moet kinderen beschermen, zelfs tegen hun ouders, indien nodig. Het is immoreel om kinderen een religie op te leggen – al maakt het verschil op wat voor manier dat gebeurt. Het is wellicht verhelderend om hier het verschil tussen politiek en moreel secularisme te introduceren. Politiek secularisme betreft de scheiding religie en overheid. Moreel secularisme betreft de scheiding van moraal en religie. De sfeer van moreel secularisme is zodoende groter dan politiek secularisme. Vanuit moreel perspectief (moreel secularisme) is een religieuze, gesloten opvoeding immoreel, maar een liberaal democratische overheid kan hier weinig tegen doen.

Een liberale religieuze opvoeding is heel anders dan een radicaal religieuze opvoeding. Om te beginnen moet de overheid de lichamelijke integriteit van kinderen garanderen. Op dit moment echter worden joodse en islamitische jongens besneden. Dat is iets wat onmogelijk ongedaan gemaakt kan worden. Het is mutilatie. Het is dan ook een grof schandaal dat deze barbaarse praktijk gewoon voort blijft bestaan, niet alleen straffeloos, maar het wordt ook gerespecteerd onder de vlag van multiculturalisme. Het is nog veel erger bij vrouwenbesnijdenis. In Nederland worden jaarlijks tientallen Nederlandse meisjes besneden. Het gaat dan meestal om meisjes van Somalische afkomst die in de zomervakantie in Afrika worden besneden. Maar waar het gebeurt is in feite irrelevant. Alle besnijdenis van minderjarigen is moreel verderfelijk, en het besnijden van meisjes die Nederlands staatsburger zijn, is een jammerlijk falen van de rechtstaat.

Ayaan Hirsi Ali heeft enkele jaren geleden voorgesteld om meisjes uit risicogroepen regelmatig medisch te controleren en de ouders voor te lichten. Dit voorstel riep veel weerstand op, ook bij liberalen en humanisten. Indien besnijdenis toch heeft plaatsgevonden dient er zeer steng gestraft te worden. Dat bestraffen dient mijns inziens ook te gebeuren voor ouders wier kinderen al besneden zijn. En ook voor joodse en islamitische jongensbesnijders. Mijn voorstel is dat humanistische organisaties bij justitie aangifte doen tegen religieuze instanties en personen die zich schuldig maken aan besnijdenis. De roep om respect voor religie dekt veel intolerantie en veel onzin toe. Het is tijd om te stoppen met religie te respecteren.

Religie is een individuele hobby. In een liberale samenleving mag je je hobby naar believen uit oefenen zolang je anderen er maar niet mee schaadt. Religie dient daarom dezelfde status te krijgen als postzegels verzamelen. De staat is neutraal jegens filatelie en filatelisten. Filatelie heeft geen geprivilegieerde status boven bijvoorbeeld bridge of petanque verenigingen. En zo hoort het ook. Er zijn geen scholen op filatelistische inslag. Geen filatelistische democratische partij. De overheid zou het niet tolereren wanneer filatelisten de voorhuid van hun zoontjes van een kartelrandje voorzagen. Voorzitters van filatelistische verenigingen worden niet gevraagd zitting te nemen in ethische commissies, noch worden filatelisten door de media gevraagd naar hun mening over stamcelonderzoek, euthanasie, abortus, het ontstaan van soorten of seksuele mores. Religie heeft vanuit de historie een geprivilegieerde status in veel samenlevingen, inclusief de onze. Echter, een samenleving is mensenwerk en in een democratische rechtsstaat kunnen we sleutelen om de samenleving beter te maken.

Dat is het project van de Verlichting zoals ook Popper voor stond met zijn pleidooi voor een open samenleving. We moeten proberen de wereld, of in ieder geval de samenleving, beter te maken. De privileges van religie dienen opgeven te worden. De vergelijking met filatelie gaat niet helemaal op. Filatelie doet, bij mijn weten, geen valse waarheidsclaims of probeert geen irrationele taboes over te dragen, behalve dan dat die gekartelde plaatjes interessant zouden zijn. Religie wel. De overheid moet religie benaderen zoals ze dat sinds kort doet met roken: tolereren, maar tegelijkertijd ontmoedigen. Dat ontmoedigen kan door voorlichtingscampagnes: door wetenschap en democratisch burgerschap te propageren, met name in het onderwijs, wordt tegengewicht geboden aan religieuze opvoeding.

Waar leidt dit toe in de praktijk? Al het onderwijs dient openbaar seculier onderwijs te worden. Er zijn alleen seculiere scholen. Privéscholen op religieuze grondslag zijn niet toegestaan, omdat, zoals gezegd, de overheid de vrijheid van alle kinderen dient te garanderen. Al het onderwijs is wetenschappelijk onderwijs. De normen en waarden die worden overgedragen zijn liberale, democratische waarden en democratische burgerschap. Kennis over de belangrijkste wereldreligies vormt een klein deel van het curriculum. Seksuele voorlichting, evolutietheorie, gelijkheid van vrouw en man, homoseksualiteit komen eerlijk aanbod, zonder taboes, zonder restricties. Scholen kunnen worden gedifferentieerd op pedagogische en onderwijskundige gronden. Voorts dient theologie van universiteiten te verdwijnen. Het is een blamage voor universiteiten als wetenschappelijke instellingen. Religiewetenschap hoort wel op een wetenschappelijk instelling plaats, want alle sociale fenomenen kunnen wetenschappelijk bestudeerd worden. Universiteiten op religieuze grondslag dienen ook te verdwijnen. Of deze universiteiten doen afstand van hun religieuze inslag, of zij verliezen hun staatssubsidie en accreditatie.

Hoe zit het met hoofddoeken? Zoals ik zei: kinderen horen vrij te zijn van religie. Zoals ik eens opmerkte: ‘religie is als porno, alleen voor 18+’. Religieuze symbolen zijn dan ook taboe voor kinderen. Om te voorkomen dat het middel erger is dan de kwaal, lijkt het me dat op scholen opzichtige religieuze symbolen – hoofddoek, keppeltje, kruisbeeld – verboden zijn. Omdat de overheid neutraal is in religie, dienen ambtenaren met een publieke functie geen uiterlijke tekenen van een religie te dragen. Dus geen politieagenten of leraren met een hoofddoek, tulband, keppeltje of kruiskettinkje. Het is verduidelijkend om onderscheid te maken tussen secularisering en secularisme. Secularisering is het sociale proces van emancipatie ten opzichte van religie. De invloed van religie neemt af, mensen worden steeds minder religieus, maar blijven wel nominaal bij de club. Secularisme gaat over de staatsordening. Die staatsordening dient strikt seculier te zijn, het model is laïcisme.

Zelfs al zou de overgrote meerderheid een bepaalde godsdienst aanhangen, dan nog dient de staat seculier te zijn. Stel dat 95% van de Belgen fervent filatelist is en de samenleving wil ‘filateliseren’, dan nog moet de overheid daarin niet toegeven. Er moet altijd rekening gehouden worden met de mensen die niet mee willen doen, met kinderen die een hekel hebben aan postzegels en die op een filatelistenseminarie terecht dreigen te komen en wier voorhuid gekarteld is. De liberale open samenleving dient de zwaksten, de minderheden, individuen te beschermen. Multiculturalisme loopt het gevaar intolerantie te tolereren. Een samenleving die de vrijheid van het individu als uitgangspunt heeft dient intolerantie niet te tolereren. Vrouwen, kinderen en homoseksuelen afkomstig uit sociale culturen (islam, strenge christenen, orthodoxe joden) moeten de mogelijkheid hebben om zich tegen hun sociale groep te verzetten. De staat dient individuen te beschermen. Blijf-van-mijn-lijf huizen en kindervoogden zijn voorbeelden daarvan. Eerwraak, gedwongen uithuwelijking, mensenhandel – politie en justitie dienen er alles aan te doen om potentiële slachtoffers te beschermen en om daders te straffen, zonder als verzachtende omstandigheid culturele factoren aan te voeren.

De wereld zou een stuk plezieriger zijn en verlost van een groot aantal problemen als religie totaal verdwenen zou zijn. Zonder totalitaire middelen te gebruiken zouden we actief moeten streven om van religie af te komen. Het multiculturele stelsel bevordert religie juist. Als iemand hoger onderwijs genoten heeft en dan nog steeds in een god geloofd, of denkt dat homeopathie een zinvolle manier is om kwalen te bestrijden, is dit een teken van het failliet van het onderwijssysteem. Behalve het leren van specifieke vakkennis, is het doel van onderwijs tweeledig: ten eerste democratische burgerschap – het besef hoe wij met elkaar in vrede samenleven en welke basale afspraken daarbij horen, en ten tweede, kritisch denken en kennis van de wetenschappelijke kenmethode (wetenschapsfilosofie). Als het onderwijs niet duidelijk maakt hoe wetenschappelijke kennisclaims fundamenteel verschillen van religieuze kennisclaims is er iets grondig mis met ons onderwijssysteem. Dat is helaas dus het geval.

Sterk secularisme of laïcisme helpt de bescherming van kinderen tegen religieuze indoctrinatie en vrijheidsinperking, maar ook vrouwen, homoseksuelen en afvalligen. Sterk secularisme is een stap op weg naar een betere wereld. Zwakkere vormen van secularisme, zoals het pluriforme model en multicultiralisme, leiden in de praktijk tot het tolereren van intolerantie en een verval aan draagvlak voor democratisch burgerschap. Het multiculturele model getuigt van onverschilligheid tegen ingroup intolerantie. Onder het mom van tolerantie wordt intolerantie getolereerd. Multiculturalisme is een voorbeeld van de uitdrukking ‘zachte heelmeesters maken stinkende wonden’. Pluralisme en diversiteit zijn een groot goed, maar binnen de grenzen van de liberaal democratische rechtstaat waarin de maximaal mogelijke vrijheid van het individu door de staat gegarandeerd wordt. Marchanderen met de marges van vrijheid betekent dat de staat faalt in het beschermen van individuen. Streng maar rechtvaardig is beter dan slap en wegkijken van problemen.

Een essay van Floris van den Berg uit de Nieuwsbrief 'Liberales' van vrijdag 14 mei 2010; Liberales is een onafhankelijke liberale denktank. www.liberales.be


Is een beroep op de bijbel door een politicus legitiem?

'Vanuit politiek-filosofische optiek staan religieuze politici als Andre Rouvoet voor een dilemma', schrijft filosoof Herman Philipse in nrc.next van 31 juli 2008.

Aan de ene kant kan men menen dat een politicus zijn standpunten moet ondersteunen met argumenten die een gewicht in de schaal leggen voor opponenten met een andere levensbeschouwing. Aan de andere kant kan men vinden dat deze beperking tot public reason een onverdedigbare restrictie oplegt aan politici.

Volgens Philipse leidt het beroep van christelijke politici op de bijbel onmiddellijk tot de vraag 'of de autoriteit van dat boek legitiem is'. Volgens Philipse weten we 'na vier eeuwen bijbelkritiek en wetenschappelijke vooruitgang' dat het antwoord 'nee' moet zijn'.


Vrijheid van meningsuiting

De grenzen van de vrijheid ’Men kan in echte vrijheid leven en toch niet ongebonden zijn’ Johann Wolfgang von Goethe

Vrijheid en verantwoordelijkheid: deze begrippen staan centraal in de discussie over de vraag of Geert Wilders een film over de islam mag uitbrengen die grote beroering in de islamitische wereld zal veroorzaken. Hoe verhouden vrijheid en verantwoordelijkheid zich tot elkaar?

-'Mensen eisen vrijheid van meningsuiting als compensatie voor de vrijheid van denken waar ze zelden gebruik van maken’ Sören Kierkegaard-

 

-’Individuele vrijheid moet in zoverre zijn grenzen kennen: het individu mag niet tot overlast voor anderen zijn’ John Stuart Mill-

Vrijheid ontslaat niemand van verantwoordelijkheid, zei minister-president Balkenende afgelopen vrijdag in een verklaring over de toekomstige film van PVV-Kamerlid Geert Wilders. Door zijn anti-islamfilm ’Fitna’ lopen Nederlanders in het buitenland gevaar. Wilders zou de consequenties van zijn handelingen onder ogen moeten zien, vindt Balkenende.

In de discussie die na dit appèl is losgebarsten, buitelen de begrippen vrijheid en verantwoordelijk over elkaar heen. Wilders legde deze week de verantwoordelijkheid naast zich neer. En velen waren het met hem eens dat hij het recht heeft zijn mening te uiten en daarom niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor eventuele gevolgen, zoals aanslagen en dodelijke slachtoffers. Leg de verantwoordelijkheid waar die hoort: bij „de idioten in Pakistan of Egypte” die een aanslag plegen, zei PvdA-Kamerlid Jeroen Dijsselbloem. „We moeten echt wat principiëler worden in deze discussie.”

Anderen vinden, net als het kabinet, dat Wilders verantwoordelijk is voor de gevolgen van zijn film. CDA-fractievoozitter Van Geel zei dinsdag: „Wilders zou er goed aan doen zijn verantwoordelijkheid te nemen in plaats van die bij anderen neer te leggen”. Daarom zou Wilders moeten inbinden in zijn strijd tegen de islam.

In de redenering van Wilders en zijn secondanten zijn vrijheid en verantwoordelijkheid communicerende vaten: door een beroep te doen op zijn verantwoordelijkheid belemmert Balkenende Wilders in zijn vrijheid van meningsuiting, vinden velen. Omdat hij vrij is te zeggen wat hij wil, kan Wilders niet verantwoordelijk worden gesteld.

Maar volgens Balkenende en zijn medestanders hangt aan de vrijheid van meningsuiting het prijskaartje van de verantwoordelijkheid.

Vrijheid en verantwoordelijkheid: hoe verhouden deze twee begrippen zich precies tot elkaar? Sinds de Klassieke Oudheid buigen filosofen zich hierover. Henk Procee, hoogleraar wijsbegeerte aan de Universiteit Twente, laat zien dat de discussies over vrijheid zijn terug te brengen tot twee kwesties: enerzijds de notie dat vrijheid voor ons van het grootste belang is, anderzijds dat het net zo belangrijk is wàt we met onze vrijheid doen.

Procee: „Voor het eerste, het belang van individuele vrijheid, moet je zijn bij de traditie van Engelse filosofen als John Locke en John Stuart Mill: er is een vrije ruimte waarin burgers vrij zijn te doen wat ze willen, mits ze anderen niet te veel schaden en zich aan de wet houden. Vrijheid en maatschappelijke verantwoordelijkheid zijn daarbij van elkaar losgekoppeld. Tot die vrije ruimte behoren vrijheid van meningsuiting, privacy en vrijheid van religie. Dat is de grondgedachte van het liberalisme.” Wilders zou je in deze traditie kunnen plaatsen, althans voor het eerste deel. Voor Wilders is vrijheid van meningsuiting zo belangrijk dat hij ook voor zijn tegenstanders opkomt als hen de mond gesnoerd dreigt te worden.

Procee: „De andere kant van de medaille vind je bij filosofen die erop wijzen dat je verantwoordelijkheid draagt voor wat je teweeg brengt. Kant, Kierkegaard, Levinas en Sartre bijvoorbeeld onderzochten de moraliteit, de vraag wat we doen met onze vrijheid. Bij existentialisten als Sartre en Camus zijn mensen zelfs gedoemd tot vrijheid en moeten zij de verantwoordelijkheid voor hun vrijheid als een zware last dragen. Niets kunnen ze afwentelen op het lot of de omstandigheden. Ook bij de oude Grieken betekende verantwoordelijkheid dat je in vrijheid kiest voor het leven dat je leidt.” Hier past Balkenendes benadering bij.

De tweede opvatting over vrijheid en verantwoordelijkheid ademt een veel persoonlijker karakter. En het is daarom de vraag of deze opvatting een rol mag spelen in het politieke debat. Procee: „Volgens een goed liberaal mag de staat niet paternalistisch of moralistisch zijn. De burger is vrij tegenover de staat. Er zijn wel wetten en regels waaraan burgers moeten voldoen, maar de staat kan nooit iemand aanvallen op grond van moraal. Op dat persoonlijke terrein is de burger vrij.”

„In de kwestie rond de film van Wilders zie je twee discussies door elkaar. Balkenende worstelt met een beleidsprobleem en probeert te voorkomen dat er gedonder komt door de film. Dat doet hij door Wilders te wijzen op zijn verantwoordelijkheid. Wilders daarentegen voert een waardendebat. Hij wil discussiëren over de islam en de waarheid daarover boven tafel krijgen. De gevolgen van zijn handelen, het beleidsprobleem, passen niet in het debat over waarden. Daarom ziet Wilders het niet als zijn verantwoordelijkheid als er ambassades afbranden.”

Overigens is er vrijwel geen filosoof te vinden die net als Wilders vrijheid van meningsuiting als absoluut beginsel ziet, zegt Procee. Ook iemand als Locke benadrukte dat de vrijheid van meningsuiting werd beperkt door zaken als het staatsbelang. Procee: „Over de buitenlandse politiek mochten burgers zich niet uiten bijvoorbeeld.”

In de Franse Revolutie werd aan vrijheid net zozeer gehecht als aan gelijkheid en broederschap. Procee: „Daar moest een evenwicht in zijn. De vrijheid van de één mocht vanwege het recht op gelijkheid de vrijheid van de ander niet in de weg zitten. En dan moest er nog sprake zijn van een band tussen de individuen. Deze broederschap, of solidariteit, lijkt tegenwoordig volstrekt geen rol meer in de discussies te spelen.”

Toch wijst Procee er ook op dat het niet zo eenvoudig is om de verantwoordelijkheid van de gevolgen van de film bij Wilders te leggen. „Want hoe ver gaat die verantwoordelijkheid dan? Ik ben als kind eens gaan wandelen met mijn oom, die toen een blindedarmontsteking kreeg. Daar voelde ik me toen schuldig aan. Want ik zag een causaal verband tussen onze wandeling en de blindedarm ontsteking. Dat ging natuurlijk veel te ver. Er zit een grens aan de causale verantwoordelijkheid.”

„Ik heb er ook om een andere reden moeite mee om de verantwoordelijkheid van eventuele gevolgen bij Wilders te leggen. Want in feite zeg je dan dat diegenen die bijvoorbeeld ambassades in brand gaan steken een soort ledenpoppen zonder eigen verantwoordelijkheid zijn, mensen die moreel en intellectueel tekort schieten. Dan dienen we alsnog Wilders’ doel. Want dat is precies hoe hij erover denkt.”

 


Geen relatie tussen die twee begrippen’

Frank Ankersmit, hoogleraar geschiedfilosofie in Groningen

„Je bent alleen verantwoordelijk voor iets dat je (mede) veroorzaakt hebt. Als er geen causaal verband is tussen het gebeurde en jouw daden, kun je er onmogelijk verantwoordelijk voor worden gesteld. Dat betekent niet dat je altijd moreel of politiek verantwoordelijk bent voor wat je causaal bewerkstelligde. Je kunt geheel onbedoeld iets gedaan hebben. De rechter zal het je dan niet moeilijk maken.

Als je ergens verantwoordelijk voor bent, stelt dat uiteraard beperkingen aan hoe je je gedragen moet. Onverantwoord gedrag moet vermeden worden. In die zin heeft verantwoordelijkheid meer met onvrijheid dan met vrijheid te maken. Maar het is beter om te zeggen dat er geen enkele duidelijke en herkenbare relatie bestaat tussen de begrippen vrijheid en verantwoordelijkheid. Beide begrippen hebben hun zin en functie in geheel verschillende contexten en discussies.

Nu wordt Wilders’ vrijheid van meningsuiting in verband gebracht met de verantwoordelijkheden die hij als politicus en volksvertegenwoordiger heeft. Natuurlijk heeft Wilders vrijheid van meningsuiting - zoals wij allemaal. Maar dat staat geheel los van de vraag of hij met de publicatie van zijn film een verantwoord gebruik maakt van zijn bevoegdheden als politicus. Daarover zal hij tegenover de Nederlandse bevolking verantwoording af moeten leggen. Want een Nederlandse volksvertegenwoordiger vertegenwoordigt de gehele Nederlandse bevolking. Zo staat het in de Grondwet. En met vrijheid heeft dit alles in het geheel niets van doen.”

’Hier is iedereen medeverantwoordelijk’

’Ik maak gebruik van democratische middelen binnen het kader van de wet’

Joachim Duyndam, hoofddocent filosofie aan de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht

„Meestal wordt de vrijheid als uitgangspunt genomen en wordt de verantwoordelijkheid daaraan afgemeten. Hoe vrijer, hoe meer verantwoordelijk. Mensen die onvrij zijn, kunnen dan niet verantwoordelijk worden gehouden. Maar bij de filosoof Emmanuel Levinas (1906-1995) is het precies andersom: ik ben in de eerste plaats verantwoordelijk, en dat maakt me vrij.

Verantwoordelijkheid is bij Levinas geen ethisch begrip, het is de menselijke oersituatie. Je bent verantwoordelijk zodra je met mensen omgaat. Dat is je lot, maar ook een uitnodiging, een uitverkiezing.

Vergelijk het met een uitnodiging voor een feestje. Die krijg je van een ander. En die uitnodiging geeft je de vrijheid om naar het feestje te gaan, of niet. Maar je kunt de uitnodiging, de verantwoordelijkheid, niet ongedaan maken. Als je er niet op ingaat, moet je daarvoor kiezen.

De vrijheid van meningsuiting is een groot goed, maar kun je niet los zien van verantwoordelijkheid. Geert Wilders kan volgens mij nooit zeggen dat hij niet verantwoordelijk is als hij zijn vrijheid van meningsuiting gebruikt. Misschien kan hij voor de schade van eventuele aanslagen, die uit zijn gedrag voortvloeien, niet juridisch aansprakelijk gesteld worden. Maar moreel is hij wel verantwoordelijk, juist omdat hij vrij is om te zeggen wat hij wil.

In Nederland met zijn poldertraditie raakt de individuele verantwoordelijkheid een beetje uit het zicht. Hier is iedereen medeverantwoordelijk voor elk besluit. Daardoor neemt niemand echt de verantwoordelijkheidop zich. Dat neemt niet weg dat de vrijheid van meningsuiting, die hier van oudsher goed is beschermd, heel belangrijk is. Al in de 17de eeuw was Nederland een vrijhaven voor denkers als Hobbes en Descartes.”

’De man die in de bioscoop ’brand’ roept’

Thomas Mertens, hoogleraar rechtsfilosofie en wijsbegeerte in Nijmegen en Leiden

„Bij Immanuel Kant betekent vrijheid niet zozeer dat je onbelemmerd kunt leven en dat de overheid zich niet met je mag bemoeien. Volgens hem betekent vrijheid dat je een moreel mens kunt zijn. Omdat je niet onder dwang staat, kun je het beste in jezelf naar boven brengen.

Ook de vrijheid van meningsuiting betekent niet dat je onbelemmerd vrij bent. De Engelse filosoof John Stuart Mill gaf twee redenen voor de vrijheid van meningsuiting: een maatschappij had een vrije discussie nodig om tot de beste standpunten te komen; het is een recht van moreel zelfstandige en mondige wezens om zich te uiten. Dat was nog geen vrijbrief om van alles te roepen.

Ook in het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens worden aan het recht op vrije meningsuiting plichten en verantwoordelijkheden gekoppeld. Het is geen absoluut recht, maar gekoppeld aan verantwoordelijkheden. Zo mogen in het belang van de nationale veiligheid en de openbare orde beperkingen worden aangebracht.

Ook in de Verenigde Staten, waar de freedom of speech het grootst is, ben je niet vrij om te spreken als het een clear and present danger tot gevolg heeft. Als ik in een bioscoop roep dat er brand is, en in de paniek ontstaat schade, kan ik mij niet beroepen op de vrijheid van meningsuiting. De uitoefening van de vrijheid van meningsuiting is dus gebonden aan bepaalde verantwoordelijkheden.

Als Geert Wilders zegt: ’Ik vind onze cultuur veel beter dan de achterlijke islamitische cultuur’, kan ik niet anders dan aan de jaren dertig denken. Als je er de achterlijke joodse cultuur van zou maken, zou dat zeker discriminatie en smaad zijn. Ik snap niet goed waarom het openbaar ministerie nog niet tot vervolging is overgegaan. Ik zou graag zien dat hij een keer vervolgd werd voor dergelijke uit spraken.

Ik vind dat Geert Wilders geleidelijk aan in de situatie is gekomen van de man die in de bioscoop roept dat er brand is. Daarom zou ik de regering heel goed begrijpen als zij haar verantwoordelijkheid nam om het gevaar te keren. Ik kan de zaak niet helemaal beoordelen, omdat ik niet over voldoende informatie beschik. Toch lijkt het er nu op dat het gevaar zulke dimensies aanneemt dat de vrijheid van meningsuiting niet meer als schild kan worden ingezet. We weten al wat er in de film van Wilders komt: racisme en discriminatie. Ik denk dat er juridisch ruimte genoeg is om de film van tevoren aan te pakken.”

Uit dagblad Trouw van zaterdag 8 maart 2008 

 


Pleidooi voor de kwetsbaarheid 

'Juist in de zachtheid en de kwetsbaarheid van de democratie schuilt haar grootste kracht. Volgens de links-liberale socioloog Dick Pels willen ultraliberalen en neoconservatieven deze wijsheid van Pericles nogal eens vergeten. „Het belangrijkste argument voor de superioriteit van onze cultuur – en de achterlijkheid van andere culturen – ligt in het aanwenden van culturele onzekerheid.”

Alle grote idealen hebben hun zelfkant. Ze zijn al gauw te mooi om waar te zijn. Juist in hun absolutisme, hun utopische zuiverheid, zijn ze gevaarlijk. Goed en kwaad zitten in de wereld immers veel dichter op elkaar dan de gemiddelde moralist wil toegeven. Dat geldt nadrukkelijk ook voor het liberaal-humanistische ideaal van de autonomie. Ook dat ideaal is inmiddels binnenste buiten gekeerd en in zijn tegendeel verkeerd. Het laat een duistere achterkant zien van narcisme, hedonisme, graai- en claimgedrag, ellebogenwerk, onverschilligheid, hufterigheid en zinloze agressie.

Dat wil niet zeggen dat het individualisme dood is, zoals filosofen als Andreas Kinneging en Ad Verbrugge, en politici als André Rouvoet en Jan Marijnissen menen. Integendeel, het is nog steeds een springlevend en noodzakelijk ideaal. Maar we moeten het opnieuw uitvinden in het zicht van deze perverse zelfkant. Dat vereist een breuk met het optimistische mensbeeld waarin goed en kwaad op maximale afstand van elkaar staan. Idealen als autonomie en individualisme kunnen alleen met een gelouterde, misschien zelfs pessimistische terughoudendheid worden verdedigd.

Autonomie is een complex en dubbelzinnig begrip. In de zojuist verschenen bundel ’De autonome mens’ stelt Joachim Duyndam dat werkelijke autonomie een uitzondering is op de regel van het meelopen en napraten – een volgzaamheid die hij aanduidt als ’niets minder dan onderdeel van het kwaad’. Tegelijkertijd constateert hij dat het autonomie-ideaal een prominent onderdeel is geworden van de verleidende ideologieën van markt en media. In hetzelfde boek stelt ook Harry Kunneman vast dat het autonome individu zich inmiddels op verontrustende wijze heeft uitvergroot tot het ’dikke ik’. Die ontaarding is volgens hem niet toevallig, maar voert terug naar de historische wortels van het liberalisme. Bij de filosoof John Locke wortelt de individuele autonomie immers in bezit: in de eigendom van het eigen lichaam, de eigen talenten en de producten van de eigen arbeid. Dit ’bezitterige’ individualisme voert al snel naar een cultuur waarin vrij ondernemerschap en rijkdom gelden als de voornaamste modellen van vrijheid en onafhankelijkheid. Het resultaat is een harde meritocratie waarin alle succes eigen verdienste is en alle falen eigen schuld. Waarbij dus alles valt onder de eigen verantwoordelijkheid en we niets aan anderen verschuldigd zijn.

Dezelfde onmatigheid ligt besloten in de rationalistische waarheidsclaim die het oorspronkelijke Verlichtingsliberalisme kenmerkt. Duyndam maakt duidelijk dat de beroemde kantiaanse opvatting van de wilsvrijheid – jezelf de wet stellen, tegen de wetten van kerk, staat en traditie in – in feite een nieuwe onderwerping vraagt aan de universele, dwingende wetten van de Rede. Ook Tsjalling Swierstra en Evelien Tonkens suggereren in hetzelfde boek dat deze redelijke autonomie kan ontaarden in ’overtuigingsfundamentalisme’, als een inherent risico van het Verlichtingsdenken zelf. In deze ’bastion-opvatting’ van autonomie heeft het individu de waarheid in pacht en meent het ook op grond van deze bezitsclaim onkwetsbaar te zijn. Kunneman ontwaart deze defensieve opvatting van autonomie in de radicale spinozistische visie op de vrijheid van meningsuiting, die in de vertaling van Ayaan Hirsi Ali zou neerkomen op het ’recht om te beledigen’. Ik heb recht op mijn stellige mening, dus ik zeg wat ik denk. „De feiten zijn nu eenmaal de feiten”, riep Pim Fortuyn. „Ik kan het ook niet helpen!”

Het autonomie-ideaal wordt gemakkelijk asociaal, in de vorm van de particuliere toe-eigening van de rijkdom én in die van de particuliere toe-eigening van de waarheid. Op beide niveaus is sprake van een eigendomsclaim en dus van uitsluiting van andere stakeholders. Sociaal-economisch en kennistheoretisch absolutisme gaan hand in hand.

Een voorbeeld hiervan is het ’emancipatie-liberalisme’ van Frits Bolkestein en Ayaan Hirsi Ali, zoals neergelegd in de bekende VVD-integratienota uit februari 2004. Het probleem is niet zozeer de inhoud van de ’westerse grondnorm’ van de individuele zelfbeschikking maar de stelligheid waarmee deze in de nota wordt geponeerd. Het liberalisme is immers niet cultureel maar moreel bepaald: men eist niet zozeer aanpassing aan de westerse cultuur, maar aan een universeel geldige ’morele waarheid’. Multiculturalisten en cultuurrelativisten die deze morele waarheid ontkennen, lijden aan ’zelfhaat’: voor hen is de eigen cultuur geen bron van trots maar van schaamte en schuldgevoel.

Ook bij Fortuyn vinden we die stelligheid van het cultuur-essentialisme terug. Cultuurrelativisme staat volgens hem gelijk aan desinteresse in het ’wezen’ van onze samenleving. Dat is gevaarlijk, omdat culturen met een sterke identiteit hier geen boodschap aan hebben en over ons heen zullen lopen. Een volk zonder een bewust beleefde identiteit is een krachteloos volk, geen echte samenleving maar een los verband van individuen, dat geen weerstand kan bieden aan diegenen die hun eigen identiteit en cultuur daar in absolute zin tegenover stellen. De scheiding tussen kerk en staat, de democratische rechtsstaat, de gelijkheid tussen mannen en vrouwen en tussen homo’s en hetero’s zijn evenzovele kernwaarden van onze cultuur. Het zijn geen ’westerse speeltjes’, maar universele waarden waarover niet te marchanderen valt. Nieuwkomers hebben zich hieraan te conformeren, en doen zij dat niet, dan zijn zij niet welkom. Fortuyn bepleit met zoveel woorden een westers tegen-fundamentalisme, dat het fundamentalisme van de islam weerstaat door zelf een vitale, agressieve en imperialistische cultuur te worden.

Maar in het bekende rijtje kernwaarden van onze beschaving schittert er één door afwezigheid. Stelselmatig wordt één cruciale Verlichtingswaarde ondergeschoven en ondergewaardeerd: die van het vermogen tot relativeren. Alle vormen van zelfkritiek op de westerse cultuur worden afgeschreven als zelfkastijding en zelfhaat (’Weg met ons!’). Liberalen roemen het kritische vermogen van de Rede, maar die kritiek treedt meestal niet buiten de perken van het rationalisme – zoals onder meer blijkt uit de massale omarming van Poppers toch nog zeer stellige waarheidstheorie.

Natuurlijk heeft ook deze relativerende zelfkritiek zijn eigen zelfkant: die van het platte cultuurrelativisme waarvoor culturen allemaal anders en dus even waardevol zijn, en alle opvattingen even goed. Maar dit cultuurrelativistische spook is een neoconservatieve karikatuur van het actief oordelende en offensieve relativisme dat als een van de belangrijkste erfenissen van het Verlichtingsdenken moet worden beschouwd.

De cultuursocialist Hendrik de Man zei het in 1926 zo: „Een weinig relativiteit verwijdert van de zekerheid van wil, meer relativiteit leidt tot haar terug.”

Het mag paradoxaal klinken, maar het belangrijkste argument voor de superioriteit van onze cultuur (en de ’achterlijkheid’ van andere culturen) is niet dat wij de morele waarheid in pacht hebben, maar ligt juist in ons vermogen tot relativeren, in het aanwenden van culturele onzekerheid. De Atheense leider Pericles wist het al: juist in de zachtheid en kwetsbaarheid van de democratie schuilt haar grootste kracht.

Individualisme moet dus worden gekoppeld aan relativisme, want zonder relativering wordt het absoluut, en dus onbeheerst en onbeschaafd. Het eigenaardige, maar ook aantrekkelijke van alle westerse of Verlichte grondwaarden (die stuk voor stuk wortelen in het individualisme) is dat zij zowel principieel ’vaststaan’ als ’losstaan’, dat wil zeggen permanent in discussie zijn over hun reikwijdte, grenzen en betekenis. Die onbepaaldheid en dubbelzinnigheid wordt door neoconservatieven, ultraliberalen en nationalisten graag geïnterpreteerd als een vorm van morele uitverkoop. Maar de liberale waarden zijn geen essenties die in zichzelf evident zijn en dus op voorhand universeel gelden. We zijn het over die waarden tegelijkertijd eens en oneens, en de democratie is er juist voor uitgevonden om dit gebrek aan overeenstemming vreedzaam te reguleren. De scheiding tussen kerk en staat, de gelijkheid tussen de seksen, de inrichting van de democratische rechtsstaat: voor al deze beginselen geldt dat zij enerzijds door vrijwel alle burgers worden omarmd, maar anderzijds een precaire status hebben, omdat zij onafgebroken onderwerp zijn van debat, meningsverschil en onderhandeling. Er wordt dus wel degelijk over deze beginselen gemarchandeerd, en met de nodige felheid, zoals blijkt uit de huidige debatten over het Franse model van de laïcité versus het Nederlandse poldersecularisme, over de grenzen van de vrijheid van meningsuiting, over de relatie tussen individualisme en gemeenschapszin, over dubbele nationaliteit en loyaliteit, over het homohuwelijk en over de seksualisering zo niet pornoficatie van onze cultuur.

Laat ik proberen deze intuïties nog eens filosofisch te vertalen. Dat kan door ’dialectisch’ te middelen tussen twee bekende politiek-theoretische opvattingen: die van het perfectionisme en die van het antiperfectionisme of de (liberale) neutraliteit. Perfectionistische benaderingen achten één specifieke opvatting van het goede leven de juiste of de beste, ongeacht het feit of mensen dit zelf onderschrijven. De overheid of andere instanties beoordelen of individuele opvattingen hiermee overeenkomen, en kunnen op basis daarvan bepaalde gedragingen stimuleren, ontmoedigen of verbieden. Deze visie is traditioneel kwetsbaar voor het verwijt van betweterij en paternalisme. In een antiperfectionistische of antipaternalistische benadering is niet één opvatting de juiste of de beste, want elk individu maakt zelf wel uit wat het goede leven is. De overheid dient neutraal te blijven, en zich dus te onthouden van het welbewust bevorderen van een specifieke opvatting van het goede leven en het bijbehorende beschavingsoffensief. Geen van beide benaderingen vind ik aantrekkelijk. Graag propageer ik iets dat ertussenin ligt, maar zich ook aan de klassieke tegenstelling onttrekt. Laat ik het imperfectionisme noemen.

Dit gaat ervan uit dat niet één opvatting van het goede leven de absoluut juiste is, maar trekt daaruit niet de conclusie dat ieder individu de inhoud ervan zelf soeverein kan en mag bepalen. De contouren van het goede leven zijn eerder onderwerp van een permanent maatschappelijk debat, waarin iedereen iedereen de maat kan nemen en kan bekritiseren, en niemand op voorhand verplicht is de ander op zijn woord te geloven. Iedereen geniet in dit debat de vrijheid om beter te weten wat goed is voor de ander dan de ander dat zelf meent te weten. Iedereen heeft dus de vrijheid om elkaar aan te spreken, te overtuigen, om te verkondigen, te moraliseren en zending te bedrijven. Een voorwaarde voor dit alzijdige debat is dat het waarheidsgehalte van de eigen opvatting voorlopig wordt opgeschort, en dat deze zelfrelativering als toegangseis geldt voor iedereen die de debatarena betreedt. De overheid is in dit debat geen strikt neutrale scheidsrechter, maar is zelf cultureel en moreel ’geladen’. Zij belichaamt bepaalde waarden, zoals die van de individuele autonomie en emancipatie (denk aan letter en geest van de Grondwet) en die van het vreedzame democratische debat waarin van iedere deelnemer wordt gevraagd zijn imperialistische waarheidsaanspraken te relativeren. In dit opzicht is ook de overheid een actieve relativist.

Dat alle opvattingen over het goede leven ’essentieel’ betwistbaar en omstreden blijven, wil dus niet zeggen dat ze alle gelijkwaardig zijn. Noch dat de overheid de taak heeft – zoals klassieke multiculturalisten willen – om alle levensstijlen in gelijke mate te ondersteunen en te bevorderen. De waarden van de persoonlijke autonomie en de vrije ontwikkeling van de eigen individualiteit blijven gelden als criteria waarmee andere culturen worden beoordeeld. Dat betekent een afscheid van de rawlsiaanse opvatting van ’vrijstaande’ (’free-standing’) neutraliteit, die de individuele autonomie prijsgeeft ter wille van een sowieso onhaalbare politieke consensus, omdat bijvoorbeeld vele gelovigen dit uitgangspunt verwerpen. Culturen waarin de individuele autonomie geweld wordt aangedaan zijn wel degelijk vatbaar voor morele kritiek en bestrijding, ook al kiezen mensen er zelf voor. Het respect en de tolerantie voor collectivistische culturen en voor zware, fundamentalistische gemeenschappen die de persoonlijke vrijheid beknellen – denk aan de gespannen verhouding tussen homoseksualiteit en religie – is wat dit betreft duidelijk begrensd, en een individualistisch beschavingsoffensief is hier wel degelijk aan de orde.

Maar zoals de term ’imperfectionisme’ zelf uitdrukt, moet dit beschavingsoffensief sterker worden gekoppeld aan de waarden van feilbaarheid en onzekerheid, juist om respectloosheid en arrogante vormen van paternalisme te vermijden (dat daarom misschien beter ’fraternalisme’ kan heten). Het imperfectionisme richt zich tegen alle claims op zuiverheid, heiligheid, enkelvoudigheid, eeuwigheid en absolute goedheid, dus tegen alle vormen van essentialisme, ook dat van de individuele vrijheid. Imperfectionisme leidt tot vormen van zelfbinding en matiging van het doorgeschoten individualisme, waardoor het minder nodig wordt om een christen-socialistisch of neoconservatief appèl te doen op gemeenschapsbinding, saamhorigheid en lotsverbondenheid. Een plichtethiek die wordt afgeleid van het gemeenschapsbelang ontaardt n u eenmaal gemakkelijk in bemoeizucht en repressie. Het algemeen belang is immers geen objectief gegeven, maar altijd afhankelijk van interpretaties en perspectieven.

Het imperfectionisme vertegenwoordigt dus een ’dunnere’ opvatting van het goede leven dan het ’dikke’ gemeenschapsdenken dat doet. Elke kritiek op de eigen cultuur afdoen als een uiting van zelfhaat, zegt meer over de zekerheidsdrang van de conservatieven dan over de gemoedsrust van de progressieven. Een kenmerk van het goede leven is immers dat wij onafgebroken, zonder dreiging en beschaafd debatteren over de inhoud ervan. Wat de boel bij elkaar houdt, is het meningsverschil over wat ons precies bij elkaar houdt: het permanente debat over wie wij zijn en wie wij zouden kunnen worden.

Vandaar mijn enthousiasme voor het voorstel van Swierstra en Tonkens om het ideaal van de individuele autonomie te ’ontharden’ door het te verbinden met zelfspot. Om het relativisme (in mijn ’actieve’ definitie) tot onderdeel te maken van een liberaal-humanistisch beschavingsoffensief. Zelfspot kan de kern vormen van een zwakke, maar niettemin zelfverzekerde en strijdbare identiteit. De moralist vermijdt het arrogante en respectloze paternalisme omdat hij niet bang is om zichzelf en zijn eigen overtuigingen op het spel te zetten. Hij ontloopt op geen enkel moment de verantwoordelijkheid voor zijn interpretatie van andermans verkeerde opvatting van het goede leven.

Relativistisch moraliseren: het klinkt tegenstrijdig maar het is wel degelijk mogelijk. In het ’Handboek Moraliseren’ omschrijft Tonkens de democratische vorm ervan als het via een dialoog ontwikkelen van een visie op het goede leven. De crux van die dialoog is natuurlijk dat zij niet symmetrisch is: zij heeft de liberale autonomie als morele inzet. De deugd van de zelfrelativering leidt daarbij tot een ’leefbaar’ idealisme, dat de matiging predikt van dezelfde individuele autonomie die tegelijkertijd tóch wordt verdedigd. Een idealisme dat zich op voorhand realiseert dat goed en kwaad elkaar veel dichter op de huid zitten dan misschien goed voor ons is'.

Dit is een artikel uit dagblad Trouw van zaterdag 1 juni 2007

Dick Pels is socioloog, publicist en voorzitter van de links-liberale denktank Waterland. In 2005 verscheen van hem bij uitgeverij Anthos ’Een zwak voor Nederland. Ideeën voor een nieuwe politiek’ (ISBN 9041409246). Dit is een bewerking van de voordracht die hij onlangs hield bij de presentatie van de bundel ’De autonome mens’, een co-productie van het Humanistisch Verbond en Uitgeverij Boom (ISBN 9789085063995, euro 19,90).


'Samen Werken, samen leven' en Amitai Etzioni 

Amitai Etzioni ( in1929 geboren) is een Joods-Israelisch-Amerikaans socioloog en publieksintelectueel, vooral bekend vanwege zijn voorkeur voor het communitarisme.

Etzioni werd geboren als Werner Falk in Keulen (Dld). In 1936 emigreerde hij met zijn ouders naar het toenmalig Britse mandaatgebied Palestina.

Loopbaan

Etzioni studeerde aan de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem. Hij promoveerde in sociologie aan de University of California in Berkeley in 1958 en werd universitair docent en professor in de sociologie aan de Columbia University gedurende twintig jaar, tot 1978. Etzioni was gastdocent aan de Brookings Institution in 1978 en was een senior-adviseur voor president Jimmy Carter. In 1990 werd hij professor bij de George Washington University.

Etzioni heeft 24 boeken geschreven waarvan de bekendste The new golden rule is uit 1996. Hoever de invloed van deze socioloog gaat, bleek toen premier Balkenende tijdens een kamerdebat over normen en waarden volgens een aanwezige naar dat boek verwees. Zijn autobiografie verscheen onder de titel My Brother’s Keeper: A Memoir And a Message in 2003. Zijn nieuwste boek (2004) heet From Empire to Community: A New Approach to International Relations.

Op 6-7 september 2004 was Etzioni een van de sprekers op het congres "Europe: a beautiful idea" dat in de Haagse Ridderzaal gehouden werd.

Standpunten

  • Het communitarisme gelooft niet in van boven opgelegde regels, maar vertrouwt op de wijsheid en ervarig van een gemeenschap die zijn vervat in ingesleten patronen, gewoonten en tradities;
  • Van de burger wordt geëist dat hij niet alleen zijn eigen rechten, maar ook zijn verantwoordelijkheden kent; dat hij zich inzet voor zijn gemeenschap omdat het lot van die gemeenschap hem iets kan schelen;
  • Er wordt veel gepraat in het communitarisme, omdat in de hechte verbanden van familie, kerk en vereniging de kans klein is dat iemand van het rechte pad raakt;
  • Privacy vindt Etzioni niet iets om erg zwaar aan te tillen: iedereen moet een nationale identiteitskaart dragen. Chauffeurs, piloten en machinisten moeten verplichte alcoholtests ondergaan en HIV-patienten dienen hun besmetting alom kenbaar te maken. Pedofielen wil hij levenslang isoleren in elektronisch bewaakte dorpen.

Trivia

  • Premier Jan Peter Balkenende is een bewonderaar van Etzioni.
  • Ook rekent Etzioni Bill Clinton en Tony Blair tot zijn volgelingen.
  • Etzioni is getrouwd en heeft vijf zonen.

Externe links

Overgenomen uit Wikipedia op zaterdag 10 februari 2007 nav het nieuwe CDA/PvdA/CU coalitieprogramma

 


Georganiseerde onverantwoordelijkheid

We staan dagelijks in kilometers lange files. wanneer we een lekker stukje kipfilet, varkenshaas of runderrollade eten worden we bedreigd door respectievelijk vogelpest, varkenspest en gekke koeienziekte. Ons hoge energieverbruik maakt dat Nederland over enkele jaren onder de zeespiegel verdwijnt.

De Duitse socioloog en filosoof Ulrich Beck stelt dat we in een risicomaatschappij leven. Dit komt niet doordat onze moderne samenleving gefaald heeft, maar juist doordat ze zo succesvol is. Wij hebben de verantwoordelijkheid over verschillende vlakken van de maatschappij (politiek, wetenschap, etc.) verdeeld over verschillende instituties. Maar als er een crisis is, zoals het gat in de ozonlaag, loopt dat dwars door alle instituties heen en is het niet duidelijk wie verantwoordelijk is en wie het probleem moet oplossen. Moet de consument minder autorijden, moeten de fabrieken schonere auto's maken, moet de politiek maatregelen nemen, of blijkt uiteindelijk dat het toch een natuurlijke klimaatsverandering is? Uiteindelijk lijkt het er vaak op dat niemand schuldig is. Dit verschijnsel noemt Beck 'georganiseerde onverantwoordelijkheid'.

De filosofiekalender van woensdag 20 december 2006


 

'Minder dan ooit is er reden om te geloven dat geschiedenis vooruitgaat naar een stralende toekomst'. De Engelse filosoof John Gray meent dat oude communisten, christelijke missionarissen en moderne globalisten niet zo gek veel van elkaar verschillen.

Ze denken allemaal dat er een model is waarmee de wereld verbeterd kan en moet worden; 'Als we het op onze manier aanpakken, dan komt het in de toekomst allemaal goed', lijken ze allen te zeggen. Maar kunnen wij mensen de wereld wel verbeteren? Nee zal Gray beslist antwoorden. Wij zijn niet beter dan andere dieren die zonder de touwtjes in handen te hebben proberen het hoofd boven water te houden. Oorlogen zullen nooit verdwijnen. 'Geschiedenis kent nu eenmaal een winst- en verliesrekening. Sterker nog: door de globalisering. door de wereldweide toename van technologie en kennis loopt de verliesrekening op'.

De filosofiekalender van 22 november 2006


'Onrechtvaardigheid is alleen te tolereren als het nodig is om een nog grotere onrechtvaardigheid te voorkomen.' Aldus filosoof John Rawls in zijn boek 'A theory of Justice' (1971) dat elk weldenkend mens gelezen moet hebben om de wereld van nu te  begrijpen.

Om de instituties van de moderne, liberale constitutionele democratie te verdedigen, werkt Rawls een egalitaire conceptie van rechtvaardigheid uit. De sociale rechtvaardigheid als de basisstructuur van de maatschappelijke ordening zou volgens twee principes moeten werken; het gelijkheidsbeginsel (iedereen heeft recht op basale rechten en vrijheden) en het verschilbeginsel (voorzover er verschillen bestaan, moet dat ten goede komen aan de minst bedeelde).

Dit rechtvaardigheidsidee, dat zijn verwerkelijking heeft in de liberale verzorgingsstaat, staat kortom in het teken van vrijheid en gelijkheid.

Rechtvaardigheid is een procedureel contract en geen eigenschap van mensen. Communitaire doelen, morele relaties en dergelijke moeten dan ook buiten het publieke debat worden gehouden, omdat het zich alleen betrekt op de verdeling van de 'primairy goods'.

De filosofiekalender van zaterdag 18 november 2006

http://en.wikipedia.org/wiki/John_Rawls

John Rawls


Zoek binding maar ook tegenbinding

Een teveel aan sociale cohesie schept een onontkoombaar wij-gevoel, dat tegenstellingen juist aanwakkert. Gemeenschappelijkheid wordt ook bereikt door het bindende vermogen van tegenkrachten te onderkennen, zegt Kees Schuyt,  die de vier steunberen van de samenleving beschrijft.

'Wat houdt een samenleving bijeen? Gemeenschappelijke waarden en normen worden meestal aangewezen als het antwoord op de pregnante vraag naar de binding (of sociale cohesie) van de samenleving. Toch ben ik niet tevreden met dit standaard antwoord, dat in de campagnetijd bij alle politieke partijen te beluisteren valt. De vraag moet immers gesteld worden wat een samenleving bijeen houdt, als gemeenschappelijke waarden niet of niet meer aanwezig zijn en de samenleving verscheurd dreigt te worden door felle groepsconflicten en scherpe wij-zijtegenstellingen'.

Aldus de introductie van een artikel in de Volkskrant van zaterdag 11 november 2006 nav het verschijnen van het boek van Kees Schuyt 'de vier steunberen van de samenleving' (te weten het strafproces, vrije wetenschapsbeoefening, religieuze tolerantie en geweldloze politieke actie).


Richard Holbrooke, voormalig ambassadeur voor de Verenigde Staten bij de Verenigde Naties;  'Augustus 2006 doet denken aan augustus 1914, toen een onbeheerste crisis tot een wereldbrand leidde. De wereld dreigt te verzeilen in een onbeheersbare crisis'.

Twee volwassen crises, een in Libanon en een in Irak, versmelten tot één noodsituatie. Vrijwel overal tussen Kairo en Mumbai zou zich een kettingreactie kunnen voordoen. Turkije spreekt over een inval in het noorden van Irak om Koerdische terroristen aan te pakken. Syrië kan gemakkelijk betrokken raken in de oorlog in het zuiden van Libanon. Egypte en Saoedi-Arabië staan onder druk van jihadisten om Hezbollah te steunen, ook al verafschuwen de regeringen in Kairo en Riad die organisatie. Afghanistan verwijt Pakistan dat het een schuilplaats biedt aan Al-Qaeda en de Talibaan; aan weerszijden van hun grens wordt voortdurend gevochten. Met de eigen oorlog van de NAVO in Afghanistan loopt het niet best. India overweegt een strafexpeditie tegen Pakistan, dat achter de bomaanslagen in Mumbai zou zitten.

De enigen die baat hebben bij deze chaos zijn Iran, Hezbollah, Al-Qaeda en de Iraakse shi’itische leider Muqtada Sadr, die vorige week in Bagdad de grootste demonstratie tegen Amerika en Israël van de hele wereld hield, terwijl nog eens zesduizend Amerikaanse militairen de stad in werden gestuurd om een burgeroorlog te ‘voorkomen’ die al begonnen is.

Deze opeenstapeling van explosieve elementen vormt het grootste gevaar voor de stabiliteit in de wereld sinds de Cubaanse rakettencrisis van 1962, de enige confrontatie tussen nucleaire supermogendheden. De Cuba-crisis was wel erg gevaarlijk, maar betrekkelijk simpel: ze kwam neer op twee leiders en geen oorlog. In 13 dagen van briljante diplomatie wist John F. Kennedy Nikita Chroesjtsjov te bewegen de sovjetraketten weg te halen van Cuba.

Kennedy was sterk beïnvloed door Barbara Tuchmans klassieke Kanonnen van augustus, waarin werd beschreven hoe een ogenschijnlijk op zichzelf staande gebeurtenis van 92 zomers geleden – een moordaanslag in Sarajevo door een Servische terrorist – een kettingreactie ontketende die uitliep op de Eerste Wereldoorlog. De verschillen tussen die augustus en deze zijn immens. Maar Tuchman besloot haar boek met een zin die tot in deze crisiszomer naklinkt: „De landen kwamen terecht in een val, een val die in de eerste dertig dagen ontstond uit gevechten die geen beslissing brachten, een val waaruit toen en later geen ontsnappen mogelijk was.”

Te voorkomen dat zo’n val ontstaat, moet het eerste doel zijn van Amerikaans beleid. Helaas blijkt vrijwel nergens uit dat de president en zijn hoogste adviseurs beseffen hoe dicht wij bij een kettingreactie zitten, of dat zij een bredere strategie hebben die het tactische niveau te boven gaat.

Onder de leer van de zelfverdediging, die is neergelegd in artikel 51 van het VN-Handvest, staat buiten kijf dat Israël het wettige recht heeft om op te treden tegen een groep die gezworen heeft dat land te zullen vernietigen en die in Zuid-Libanon duizenden raketten verborgen houdt.

In deze omstandigheden is Amerikaanse steun aan Israël essentieel. Als Washington Jeruzalem in de steek laat, kan het bestaan van de joodse staat in gevaar komen en kan de mondiale crisis snel veel ernstiger worden. De VS moeten duidelijk blijven maken dat zij bereid zijn met diplomatieke en zo nodig militaire middelen Israël te verdedigen.

Maar de VS moeten ook oog hebben voor, en een oplossing vinden voor, de verdergaande consequenties van hun eigen daden en publieke verklaringen. Deze zijn de oorzaak van een ongekende aftakeling van de Amerika’s positie in de wereld, lokken gevaarlijke nieuwe, anti-Amerikaanse coalities uit en stimuleren een nieuwe generatie terroristen. De Amerikaanse terugtrekking uit de actieve diplomatie in het Midden-Oosten sinds 2001 heeft geresulteerd in meer geweld en in een slinkende invloed van de VS. Anderen willen dat vacuüm maar al te graag opvullen.

Het Amerikaanse beleid heeft het onbedoelde maar voorspelbare gevolg gehad dat onze vijanden naar elkaar toe zijn gedreven. In heel de regio hebben de sunnieten en de shi’ieten hun onderlinge afkeer net lang genoeg opgeschort om samen een vuist – of erger – te kunnen maken tegen de VS en Israël. Intussen worden onze troepen in Bagdad door beide zijden – shi’itische milities en sunnitische opstandelingen – onder vuur genomen. Als dat doorgaat heeft de aanwezigheid van de VS in Bagdad geen toekomst.

President Bush is aan zijn land, en speciaal aan de troepen die hun leven wagen, verplicht zijn beleid te heroverwegen. Hij moet een deel van zijn troepen inzetten in het minder gevaarlijke noorden van Irak, om daar op te treden als buffer tussen de steeds roeriger Turken en de ongedurige, op onafhankelijkheid beluste Koerden. Gezien de nieuwe situatie is zo’n hergroepering van troepen, gecombineerd met een gefaseerde vermindering elders – zonder dat vooralsnog definitief besloten wordt tot volledige terugtrekking uit Irak – gerechtvaardigd.

Tegelijkertijd moeten de VS meer troepen sturen naar Afghanistan, waar de situatie is verslechterd. Het Pentagon vermindert het aantal Amerikaanse militairen daar – wat in de regio wordt opgevat als teken dat de belangstelling van de VS voor Afghanistan taant.

Aan het diplomatieke front mogen de VS niet het veld ruimen voor andere landen of de VN. Alle ministers van Buitenlandse Zaken, van Kissinger tot Christopher en Albright, hebben met Syrië onderhandeld, ook de Republikeinse iconen Shultz en Baker. Waarom doet deze regering dat niet ook, inclusief voortdurend intensief overleg met Israël? Dat is in het belang van Israël. In plaats daarvan weigeren regeringsfunctionarissen rechtstreeks te overleggen, en zeggen zij dat „Syrië weet wat het moet doen’’ – wat voorbijgaat aan het wezen van diplomatie.

Dat geldt ook voor overleg met Iran. Waarom staat het machtigste land ter wereld al vijf jaar aan de zijlijn en laat het de internationale dialoog met Teheran voeren door Europeanen, Chinezen en de VN? En waarom is de dialoog beperkt gebleven tot de nucleaire kwestie – die van groot belang is, maar minder nijpend dan de steun en de wapens die Iran aan Hezbollah geeft, en zijn steun aan activiteiten tegen Amerikaanse troepen in Irak.

Inperking van het geweld moet voor Washington op de eerste plaats komen. Daarna moet er een stabiele, veilige oplossing worden gevonden, die Israël bescherming biedt. Ten slotte moet Amerika’s rampzalige verstrengeling in Irak worden ontward, en wel zo dat ze niet uitloopt op een volslagen vernedering. Dit vereist volhardende diplomatie op hoog niveau – precies wat de Amerikaanse regering in het Midden-Oosten heeft vermeden. Washington heeft – of althans had – invloed op de gematigde moderne Arabische landen; die moet het opnieuw gebruiken, in nauw overleg met en ten behoeve van Israël.

Daarnaast moeten wij voorbereid zijn op problemen die ons onverhoeds op de proef zullen stellen. Die kunnen zich voordoen in Turkije, Pakistan, Egypte, Syrië, Jordanië en zelfs Somalië, maar één ding lijkt zeker: komen zúllen ze. Zonder een nieuwe, alomvattende strategie op basis van onze meest urgente nationale-veiligheidsbehoeften – en niet van een soort warrig wilsonianisme – zal deze crisis vrijwel zeker ernstiger worden en om zich heen grijpen.

Een artikel in NRC van vrijdag 11 augustus 2006


Andreas Kinneging, voormalig medewerker Telderstichting thans voorzitter van de Edmund Burke-stichting in Nederland;

'Of neem het woord trouw. Iemand die niet trouw is aan het gegeven woord kan, als dat bekend wordt, ook geen contracten meer sluiten. Dan kan hij geen geld meer verdienen. Volgens het liberalisme brengt de markt daarom vanzelf trouw voort, het is in het belang van de marktpartijen.
(...) Maar de markt genereert trouw in onvoldoende mate. De toegenomen marktwerking van de afgelopen jaren is gepaard gegaan met een afname daarvan. De contracten worden steeds dikker , er zijn steeds meer rechtszaken, steeds hogere straffen en steeds meer politie.
Trouw ontspringt aan andere bronnen dan de markt, vooral aan de klassieke humanistische traditie, de middeleeuwse aristocratische en christelijke tradities die samen vele eeuwen de ruggegraat van de maatschappij zijn geweest'.

Kinneging kreeg onlangs de Socrates Wisselbeker (het beste filosofische boek van het jaar) voor zijn boek Geografie van goed en kwaad


Erich Fromm; psychoanaliticus en filosoof (1900-1980) ;

The marketing orientation.
'The marketing orientation expects to sell. Success is a matter of how well I can sell myself, package myself, advertise myself. My family, my schooling, my jobs, my clothes -- all are an advertisement, and must be "right." Even love is thought of as a transaction. Only the marketing orientation thinks up the marriage contract, wherein we agree that I shall provide such and such, and you in return shall provide this and that. If ones of us fails to hold up our end of the arrangement, the marriage is null and void -- no hard feelings (perhaps we can still be best of friends!) This, according to Fromm, is the orientation of the modern industrial society. This is our orientation!'


Benjamin Barber, voormalig adviseur van Bill Clinton en schrijver van het boek Jihad vs McWorld;

'Het infantiele ethos houdt in dat de moderne markt behoeftes creëert door consumenten aan te moedigen te handelen als welwillende kinderen, terwijl kinderen wordt geleerd geld uit te geven als een volwassene'.

Dit simplistisch model van behoeftes creëren ziet Barber ook andere domeinen dan louter het economische binnensijpelen, en dat het de beschaving en politiek aantast.

uit het filosofiemagazine nummer 3 van 2005


Peter van Straaten, cartoonist;

Zo zeker als Andries Knevel weet dat God bestaat, zo zeker weet ik dat ik het niet weet.

Uit nrc.next van 20 april 2006


'Mijn eerste handeling uit vrije wil zal zijn: geloven in het bestaan van de vrije wil'.

William James (1842-1910), de belangrijkste vertegenwoordiger van het Amerikaanse pragmatisme, overwon op zijn achtentwintigste een existentiële crisis door zijn geloof in de vrije wil. Hij werd daarbij geïnspireerd door de Franse denker Charles Renouvier (1815-1903), die de vrije wil definieerde als 'het in stand houden van een gedachte omdat ik dat zo verkies, terwijl ik ook anders had kunnen denken'.

Uit de filosofiekalender van zondag 30 april 2006

 


'Vrijheid is geen vrijheid om het irrationele, domme of verkeerde te doen'

De Britse filosoof Isaiah Berlin (1909-1997) geldt als een van de belangrijkste politieke filosofen van de 20ste eeuw. Hij onderscheidt 2 soorten vrijheid: positieve en negatieve.

Negatieve vrijheid is vrijheid om nergens toe gedwongen te worden. Je hebt een grote ruimte waarin je vrij bent om te gaan en te staan waar je wilt en zelf te bedenken wat je gaat doen. Er is een minimum aan regels.

Positieve vrijheid is de vrijheid om jezelf te binden aan iets wat groter is dan jezelf; de vrijheid om een betrokkenheid, ideologie of doel te kiezen waaraan je dan een groot deel van je leven en energie besteedt.

Berlin wantrouwt die positieve vrijheid vanwege het gevaar van fanatisme en dogmatiek. Zo kunnen mensen vinden dat zij de juiste opvatting over waarheid en vrijheid hebben en daarmee het recht om andere mensen regels op te leggen en ze tot een bepaald gedrag te dwingen.

Uit de filosofiekalender van 5 mei 2011

 


Reageren

* - verplichte velden

Peiling

Affiches op verkiezingsborden is uit de tijd

Peiling

Het wordt tijd voor één Gemeente De Langstraat

Peiling

De nieuwe Els moet vooral niet groter maar gezelliger worden

Peiling

VVD-CDA kabinet met PVV steun was goede zaak voor Nederland

Peiling

Ook gemeente zal tering naar de nering moeten zetten