Liberalisme

'Liberalisme kun je ook zien als een poging een modus vivendi te vinden tussen mensen die het niet met elkaar eens zijn en dat ook nooit zullen worden'.

John Gray, Two faces of Liberalism (2000)


Het individualisme onderscheidt de liberalen van Wilders

Het neoliberalisme heeft respectabele wortels en de VVD moet zich onderscheiden door het beschermen van het recht van de enkeling tegenover het groepsdenken, de verbodscultuur en het paternalisme van de andere partijen en van het kabinet.

Er is een internationaal volkstribunaal aan de gang, niet alleen in contreien waar ze van oudsher dol zijn op volkstribunalen, maar ook, of juist in landen, die in de loop van eeuwen een rechtstatelijke traditie hebben opgebouwd. Verschillende en heel diverse aanklagers zijn sinds 2008 bezig de hoofdschuldige veroordeeld te krijgen, en de naam van die verdachte luidt: het neoliberalisme. Dat staat terecht, omdat het de enige echte schuldige zou zijn van de wereldwijde financiële crisis die in de herfst van het vorig jaar toesloeg. In één moeite door wordt het neoliberalisme ook verantwoordelijk gehouden voor de algemene economische crisis die erop volgde, de hebzucht en inhaligheid der mensheid, karakterzwakte in het algemeen en financieel egoïsme in het bijzonder.

Het is een bijzondere rechtszaak, want hier worden niet verschillende individuen gedaagd, zoals gebruikelijk in liberale rechtsstaten, maar een collectief, ja zelfs een gedachtengoed. In die zin doet de gang van zaken enigszins denken aan de monsterprocessen waarin de voormalige Sovjet-Unie excelleerde.

Mariëtte Hamer, fractievoorzitter van de PvdA, gaf vorige week in deze bijlage treffend uitdrukking aan het kwaad dat het neoliberalisme vertegenwoordigt: „Het neoliberalisme heeft het leven van mensen die het al moeilijk hebben, zwaarder gemaakt. (). De overheid moet weer een hart krijgen. Daarmee beginnen we door definitief afscheid te nemen van het neoliberalisme.”

Wat een opmerkelijke visie op vragen van het hart: door definitief – lijkt mij daardoor nogal harteloos – afscheid te nemen van een ideeëngoed, verkrijgt de overheid juist een hart. Maar ideologieën hebben over het algemeen geen hart, net zo min als overheden. Het zijn – ik zeg het heel voorzichtig – geen zoogdierachtigen.

De aanklachten tegen het neoliberalisme, die vooral in Europa luid klinken, zijn nogal diffuus. Amerikanen hoor je eigenlijk nooit over ‘neoliberals’. Ook de compositietekening die van de voortvluchtige is gemaakt, blinkt niet uit in duidelijkheid. Wie of wat is toch dat neoliberalisme, is het erger dan het liberalisme, of toch een herneming van een in zichzelf al perfide ideeënwereld, zoals het neonazisme zich verhoudt tot het nazisme. En moet er dan geen datum worden geprikt voor een nieuw Neurenberg?

De beschuldigingen tegen het neoliberalisme en haar neoliberale trawanten ben ik vaker en eerder tegengekomen. Meestal werden ze geuit door geharde socialisten, die sowieso niets zagen in het kapitalisme of het liberale idee, en die, toen ze in de jaren 80 Margaret Thatcher, Ronald Reagan of zelfs Ruud Lubbers in het vizier kregen, hun algehele walging tot uitdrukking brachten door dat ‘neo’ voor het liberalisme te plakken. Daarmee, vonden ze, waren die aantijgingen ook meteen een afdoend bewezen feit. Frits Bolkestein heeft gelijk, toen hij in deze krant stelde dat ‘neoliberaal’ vooral een lichtzinnig gebruikt scheldwoord is.

Thatcher (conservatief), Lubbers (christendemocraat) en Reagan (Republican): het neoliberalisme moet wel paleisachtige proporties meten. Het gewone liberalisme, waarvan toch ook gezegd wordt dat het vele kamers kent, steekt daarbij af als een krap bemeten pensionnetje.

Het komt als een verrassing dat zo’n malafide ideologie nog heel achtenswaardige wortels kent. In 1938 werd de term gelanceerd door de Duitse econoom Alexander Rüstow, die duidelijk afstand wilde nemen van het negentiende- eeuwse laisser faire liberalisme, en zich tegelijkertijd verre wilde houden van verregaand overheidsingrijpen. Ik roep in herinnering dat op dat moment in Duitsland A. Hitler, en in de toenmalige Sovjet-Unie J. Stalin aan de macht waren – dictators die het staatsapparaat als hun persoonlijk eigendom beschouwden, bedoeld om hun totalitaire ideologie door te laten dringen tot in de diepste vezels van hun onderdanen.

Je kunt op een dergelijk moment in de geschiedenis met een slechter idee komen dan het neoliberale.

Frank Ankersmit, die in deze krant geageerd heeft tegen het wereldwijde neoliberalisme en daarbij Frits Bolkestein noemde als de prototypische Nederlandse zetbaas, moet als hoogleraar theoretische geschiedenis toch op de hoogte zijn van die alleszins respectabele oorsprong, maar ik ben het in geen van zijn krantenartikelen tegengekomen.

Dan speelt er nog de volgende, typisch Nederlandse kwestie: hoe komt het, dat het verwijt van het neoliberalisme wel de VVD achtervolgt, maar kennelijk geen schade toebrengt aan D66, dat, althans in de peilingen, aan een wonderbaarlijke, want seculiere wederopstanding is begonnen?

Het zou kunnen dat D66 zich adequaat heeft ingedekt tegen de ‘harde kanten’ van het liberalisme door zich te afficheren als een links- of sociaal liberale partij. Maar het interessante is dat D66 over de meeste economische kwesties niet zo sterk verschilt van de VVD. Daarin is ze net zo liberaal, of (neo)liberaal als de Volkspartij. Vooral in immateriële zaken laat D66 haar ‘linkse’ of ‘sociale’ gezicht zien. Maar dat is geen bewijs voor haar afstand tot het neoliberalisme, dat zeker in haar libertaristische vorm nog wel een stapje verder gaat dan Het Redelijke Alternatief.

Het lijkt me dat de VVD hier de hand in eigen boezem moet steken. Het blijft voor mij een raadsel, waarom de VVD er niet in slaagt een consequente, liberale oppositie te voeren tegen haar voormalige Kamerlid Geert Wilders. Die man heeft het begrip Vrijheid gekaapt, zelfs tot in zijn partijnaam aan toe, om vervolgens een programma te ontwikkelen dat uitsluitend is gericht op het grote Verbieden.

Verbod op de Koran, verbod op de immigratie van moslims naar ons land.

Het eerste idee is een hoofdzonde tegen de vrijheid van meningsuiting, het tweede voorstel puur discriminatoir, en in strijd met de individuele beginselen die elke rechtgeaarde liberaal hoort te koesteren. Hoe moeilijk kan het voor de VVD zijn zich te distantiëren van dit warrige groepsdenken, dat veel meer inspiratie put uit het communitarisme dan uit het liberalisme? Je kunt je nog voorstellen dat een partij zegt: we willen die en die mijnheer of mevrouw niet binnen onze landsgrenzen hebben, vanwege bewezen gevaar in woord en daad, maar de gedachte een hele groep categorisch te weigeren, enkel en alleen op grond van een geloof, is anathema binnen het liberalisme.

Het is sowieso onheilspellend, dat mensen als Geert Wilders en Rita Verdonk, die nooit de indruk hebben gewekt ook maar één letter te hebben gelezen of begrepen van liberale aartsvader John Stuart Mill, zolang konden gedijen binnen de VVD-fractie. Ik denk dat hier het brede Volksdenken de VVD parten heeft gespeeld. Nogmaals, het huis van het liberalisme kent vele kamers, van links tot gematigd en verlicht conservatief, maar een anti-liberale stroming moet je niet als huurder in dat huis willen hebben, laat staan vol pension aanbieden. Daar past afstand, ideologische distantie. Dan maar wat minder ‘volk’ in de partij.

De kern van het liberalisme wordt uitgemaakt door het individualisme, het idee dat het recht van de enkeling niet zomaar ondergeschikt kan worden gemaakt aan het nut van het algemeen. Vanwege dit beginsel staan liberalen op zijn minst argwanend tegenover het ‘groepsdenken’, of dat nu ten voor- of ten nadele van die groepen is. Ik bedoel daar het volgende mee: het is juist om de vrijheid van godsdienst te verdedigen, en dus ook van de islam, maar het is merkwaardig wanneer liberalen moslims gaan behandelen als een etnische minderheidsgroep, waar je dan weer voor kunt pleiten of zo je bedenkingen bij kan hebben.

Frits Bolkestein komt de eer toe begin jaren 90 te hebben gebroken met het denken in termen van ‘allochtonen’. Hij stelde zich de individuele burger voor, misschien een moslim, een Surinamer, een homoseksueel en misschien wel alle drie, en vroeg zich af wat voor zo iemand wel en wat niet toelaatbaar was binnen het Nederlandse rechtsysteem.

Die helderheid van denken heeft bij D66 altijd ontbroken. Die partij is in de jaren 80 en vooral 90 meegegaan in het populaire groepsdenken over allochtonen. Een gunstige uitzondering moet worden gemaakt voor de inmiddels overleden staatssecretaris Aad Nuis, met zijn cultuurnota ‘Pantser of Ruggengraat’. Maar oud-minister Roger van Boxtel toonde zich bij uitstek de beschermheer van ‘allochtone groepen’, waarschijnlijk omdat de Democraten dachten dat zoiets links was of in ieder geval toch sociaal. Quod non. Het is net zo absurd ‘allochtonen’ te willen beschermen als alle moslims te willen weren. Ook Alexander Pechthold, die zo succesvol opereert in zijn oppositie tegen Wilders, loopt telkens het risico tegen de laatste te ageren, terwijl hij het allochtonen-denken voor lief neemt.

Voor mij was dat begin jaren 90 reden niet langer op D66 te stemmen, maar over te stappen naar de VVD. Ik heb zo mijn bedenkingen bij het afleveren van rechten per strekkende meters. Later, onder Jozias van Aartsen, leek de lijn Bolkestein voortgezet te worden, maar sinds enkele jaren oogt de Volkspartij als een verward en vooral angstig gezelschap, dat maar niet kan kiezen tussen liberalisme of conservatisme. Ik zie dat zonder enige vorm van leedvermaak aan, want ik wil mijn stem graag weer op de VVD kunnen uitbrengen.

Dat brengt me op het tweede verwijt dat Frank Ankersmit de VVD (en het neoliberalisme) maakt. De partij zou het liberale pad verlaten hebben en zich zijn gaan plooien naar de ideeën van de neo’s, zoals die vanaf de jaren 50 in de Verenigde Staten te horen waren.

Het ingewikkelde is, dat in het neoconservatisme wel een duidelijke breuk aan te wijzen valt met het klassiek conservatisme, al was het maar vanwege het revolutionaire karakter van het neoconservatisme, dat op gespannen voet staat met de behoedzaamheid van haar ideologische voorgangers. Het is algemeen bekend dat een aantal neoconservatieve aartsvaders in Amerika een progressief, ja zelfs een trotskistisch verleden kent: de combinatie van revolutionaire daadkracht met een verheerlijking van aloude (gezins)waarden is en blijft een monstrum. Maar neoliberalen hebben nooit zo opzichtig met liberale principes gebroken. Deden ze dat wel, dan noemden ze zich ook prompt neoconservatieven. Het is nogal geforceerd dit het liberalisme te verwijten.

Van oudsher hebben liberalen zich sterk gemaakt voor het belang van de rechtsstaat: wat is des burgers, wat des staats, en in hoeverre mag en kan de overheid interveniëren in het leven van de individuele burger.

Op dit moment lijken de Nederlandse liberalen in verwarring, zowel D66 als de VVD. Ik vind het moeilijk hier een definitieve winnaar aan te wijzen.

Het voorstel van VVD-leider Mark Rutte om in het vervolg buschauffeurs met pepperspray uit te rusten, om zo mogelijke gewelddadigheden te kunnen keren, is op zijn zachtst gezegd onwijs. Het betekent concreet dat de staat zijn geweldsmonopolie uit handen geeft, en toevertrouwt aan een willekeurige burger, die daarvoor niet is opgeleid en bovendien ook niet het wettelijke gezag kent om mensen, al is het maar tijdelijk, blind te spuiten.

Hoe kan zo’n ondoordacht voorstel naar buiten komen? Is er dan niemand binnen de VVD die denkt: misschien moet er een politieagent mee op die bus?

Ja, dat kost geld, maar voorkomt een groter euvel: dat van de eigenrichting, van het niet gelegitimeerde geweld tegen de burger.

D66 worstelt op haar eigen, quasi linkse schuldbewuste manier. Ik heb de partij eigenlijk nauwelijks gehoord in de kwestie Tariq Ramadan of die van Ali Eddaoudi.

In beide zaken staat de vrijheid van mening van zowel Ramadan als Eddaoudi buiten kijf. Ze mogen vinden dat homoseksualiteit ‘een stoornis’ is, zoals Ramadan, en Eddaoudi mag Osama bin Laden voor een ‘idealist’ houden, of gehouden hebben, daar wil ik van af wezen.

Maar het breekt met alle liberale principes om deze mensen met overheidsgeld te ondersteunen. John Stuart Mill schrijft over de ‘individuele vrijheid van de burger’ die daarvan ook ‘de consequenties moet aanvaarden’. Ramadan mag een islamitisch theoloog zijn die binnen de islam nog heel wat opzien baart, voor de Nederlandse overheid, of de gemeente Rotterdam, is dat geen reden haar burgers op te zadelen met een islamitische ‘bruggenbouwer’ die betaald wordt uit overheidsgelden. Ik ben eigenlijk zo benieuwd of Rotterdammers die toevallig moslim zijn ook feitelijk veel heil ondervinden van de hun opgedrongen mentor. Worden de, op z’n zachtst gezegd niet erg toegankelijke geschriften van Ramadan massaal verslonden op Zuid? Of heeft het Rotterdamse gemeentebestuur in zijn welwillend paternalisme besloten dat alle moslims les moeten krijgen van de Leen van Dijke van de islam? (Voormalig Kamerlid van de RPF, vroeg zich af waarom „een homoseksueel beter zou zijn dan een dief”.) Is het dan niet raadzaam voor het christelijke deel van de Rotterdamse bevolking een orthodox protestantse adviseur in dienst te nemen, of een Vaticaan getrouwe katholiek?

Het liberale antwoord is simpel: nee, de overheid moet zich hier verre van houden. Zo ook kent het Nederlandse leger geen enkele staatsrechtelijke verplichting een aalmoezenier in dienst te nemen, die Bin Laden zo’n fijne idealist vond of vindt. De vrijheid van meningsuiting staat hier niet op het spel, maar het selectiebeleid bij Defensie en het gezonde verstand. Het lijkt wel of de ondoorzichtigheid van de economische crisis, die ons treft, vooral het liberale denken heeft aangetast. Ondertussen is dit wezenlijk onliberale kabinet bezig die ene na de andere overheidsinterventie door te voeren, die eerder gedragen lijkt door het idee van de almachtige, paternalistische staat, dan door wijs bestuur. Een klein, maar veelzeggend voorbeeld. De regering wil verbieden dat kredietinstanties reclame maken op de televisie: ze mogen dat vooral niet overdag, als de zon schijnt. Bij maanlicht schijnt het weer minder schadelijk te zijn. Het komt mij voodoo-achtig voor.

Wat is het idee? Dat burgers de financiële verleiding niet kunnen weerstaan, zeker niet in de middaguren, en dus tegen zichzelf beschermd moeten worden. Maar als die burger zo weinig handelingsbekwaam is, hoe zinvol is het dan nog te geloven in het algemeen kiesrecht? Mensen kunnen kennelijk geen ‘neen’ zeggen tegen een lening bij daglicht, maar worden geacht wel een afgewogen keuze te maken in het schemer van het stemhokje.

Dit is nu echt – ik gebruik het cliché niet graag – een hellend vlak. De enigen die zich met recht en reden tegen dat soort enormiteiten kunnen verzetten, zijn liberalen. Daarom, mijnheer, noem ik mij liberaal. En laat dat neo-, of links- of sociaal- maar weg.

Stephan Sanders is columnist bij Vrij Nederland en co-presentator van Met het oog op morgen (radio 1).

Uit het NRC van zaterdag 25 april 2009


Vrijheid voorkomt dat iedereen voor zichzelf leeft

Calculerende burgers zijn van alle tijden, net als conservatieven die vinden dat de staat het 'nieuwe' egoisme van de calculerende burger in toom moet houden door stevig op te treden.

Charles de Montesquieu (filosoof uit de 18de eeuw) geloofde niet in de conservatieve aanpak. 'Onderwerping aan macht heeft juist tot effect dat alle belangen individueel worden gemaakt' . 'Iedereen gaat in dat geval nog meer calculeren hoe hij zijn eigen belangen het beste kan behartigen, desnoods door ontduiking van belasting of ander gerommel in de marge van de wet' . Men gaat zich verhouden tot de macht, in plaats van dat men de macht voor lief neemt en zich schikt. Nee, als je wilt voorkomen dat 'iedereen voor zichzelf leeft en zijn eigen gerief zoekt', moet je de vrijheid van de burgers juist vergroten.

de filosofiekalender van zondag 1 februari 2009


Vrijheid van meningsuiting versus godslastering

'Vroeger waren de mohammedanen befaamd om hun hoog ontwikkelde beschaving. Sommige werken van Griekse schrijvers bijvoorbeeld, door de christenen in de Middeleeuwen op de mesthoop geworpen, zijn bewaard gebleven door Arabische vertalingen.

Grote indruk maakte op mij een bezoek aan Toledo. We werden daar onder meer rondgeleid in het gebouw van een oude synagoge. De gids vertelde dat onder de mohammedaanse bezetting die synagoge in vol bedrijf was. Nadat de christenen Toledo heroverd hadden werd de sjoel in een christelijke kerk veranderd. Liever Turks dan paaps, dacht ik toen.

Maar de laatste tijd maken de mohammedanen het wel erg bont. De regering van Iran looft een grote beloning uit voor een ieder, die kans ziet de uit Pakistan afkomstige Engelse schrijver Rushdie om het leven te brengen. Sinds onze katholieke soeverein Philips II in de zomer van 1580 een prijs van 25.000 gouden kronen op het hoofd van Willem van Oranje zette is zoiets niet meer vertoond. Ik kan tenminste geen latere voorbeelden vinden. En dan beperkte Philips II zich nog tot zijn eigen rechtsgebied en zijn eigen onderdaan.

Adolf Hitler – ook een fundamentalist – is nooit zover gegaan dat hij een beloning uitloofde voor wie er in slaagde om in Engeland, Frankrijk, Zweden of Amerika Kurt Tucholsky of de gebroeders Mann of Bertolt Brecht te vermoorden. Hitlers collega Stalin, die heel wat schrijvers om zeep heeft laten brengen, beperkte zich ook tot zijn eigen territorium. Hij heeft nooit een prijs gezet op laat ons zeggen het hoofd van Ivan Boenin, hoewel die Boenin over Marx en zijn profeten veel erger dingen schreef dan Rushdie over Allah en Mohammed.

Zo tussen 1970 en 1980 heb ik meegewerkt aan het in het Russisch publiceren van een stuk of twintig boeken van Russische schrijvers die hun werk in Rusland zelf niet uitgegeven konden krijgen omdat het volgens de sovjetoverheid smalende laster bevatte over de sovjetstaat. Op al die boeken stond mijn huisadres vermeld als adres van de uitgever, de Alexander Herzen-Stichting. Maar ons huis is al die jaren ongemoeid gelaten, en ik ben nooit bedreigd. De Russische overheid beperkte zich er toe mij een agent van de CIA te noemen en mij een visum te weigeren.

Je zou hier kunnen denken aan Stalins tegenstander Trotski, die in 1940 in Mexico in opdracht van Stalin werd vermoord. Maar Trotski werd nooit bedreigd. Er werd niet openlijk een prijs op zijn hoofd gezet. Stalin liet zelfs ontkennen dat hij iets met die moord te maken had. Hij schaamde zich er blijkbaar voor. Wat dat betreft geven de ayatollahs blijk van een ontwapenende openhartigheid.

Zeer treurig hierbij is dat vrij veel mohammedanen in vrij veel mohammedaanse landen nogal positief reageren op die Iraanse aansporing tot moord. Bedenkelijk is ook het in zulke gevallen helaas altijd weer optredende ’begrip’ in de westerse wereld. Allerlei varianten op de uitspraak: „Verkrachten is natuurlijk verkeerd, maar het slachtoffer heeft het er door dat korte rokje wel naar gemaakt!”, werden gehoord. Een Nederlandse islamoloog zei in Trouw van 18 februari: „Nu ik de gewraakte passages lees kan ik alleen maar concluderen dat hij om moeilijkheden heeft gevraagd. En hij moet dat hebben geweten.”

Een hoofdstuk apart zijn de uitgevers. Een tijd geleden had Marcel van Dam een televisieprogramma dat ’De achterkant van het gelijk’ heette. In dat programma werd aan mensen gevraagd wat zij in een bepaalde situatie zouden doen. Dat waren altijd heel eigenaardige situaties. „U staat voor een brandend huis”, vroeg Marcel dan. „Boven liggen twee kinderen te slapen. U kunt dat huis binnengaan om die kinderen te redden, en u kunt ook buiten blijven staan. Wat doet u?” Niemand kan van te voren zeggen wat hij in zo’n situatie zal doen. Dat was het zwakke punt van dat programma.

Je hebt een uitgeverij. Je bent een warm voorstander van persvrijheid. Je hebt aandeelhouders. Je hebt personeel. Je hebt vrouw en kinderen. Nu zegt de regering van een land waar je eigen land diplomatieke betrekkingen mee onderhoudt dat je, als je een bepaald boek uitgeeft, op terroristische tegenmaatregelen kunt rekenen. Wat doe je? Wat doe je met name als je eigen minister van justitie bij een vorige gelegenheid (Rudi Carrell) zich in het openbaar heeft afgevraagd: „Leven wij ons wel genoeg in in de gevoelens zoals die in Iran leven?”

Het is natuurlijk heel verkeerd je in die uiterst verwerpelijke gevoelens in te leven. Die gevoelens behoren juist door iedere fatsoenlijke regering bestreden en verworpen te worden, door welke minderheid in ons eigen land ze ook gedeeld mogen worden. Natuurlijk moeten alle nationale minderheden, of het nu katholieken, protestanten, mohammedanen, hindoes, krisjna-aanhangers, shintoïsten, marxisten betreft volledige vrijheid genieten om hun godsdienst te belijden. Maar zodra zij hun waan in gewelddadigheden gaan omzetten behoort de ME in te grijpen, en de regering behoort daar geen twijfel over te laten bestaan.

Men vertelt dat zich in de boezem van de Nederlandse regering iets voltrokken heeft dat lijkt op de vermakelijke Engelse televisieserie ’Yes, Minister’: ministers zijn op hun eigen houtje bezig geweest. Zij hebben besluiten genomen en zelfs al bijna uitgevoerd voordat hun topambtenaren in konden grijpen. Men schijnt te hebben gemeend dat het redelijk was om te onderzoeken of met het uitgeven van dat boek van Rushdie wellicht de wet werd overtreden. Ze dachten daarbij aan de wetsartikelen die smalende godslastering strafbaar stellen – niet wetende dat Mohammed volgens de mohammedanen een mens was, en dus niet onder die artikelen valt, en ook niet wetend, dat die artikelen tot de achterlijkste en beschamendste onderdelen van ons rechtsstelsel behoren.

Hoe je het ook bekijkt, lastering heeft iets te maken met het vertellen van dingen die niet waar zijn. Door godslastering strafbaar te stellen wordt de indruk gewekt dat de Nederlandse staat bepaalde dingen, de god der christenen betreffend, voor waar houdt. En dat is niet zo.

Het schijnt dat het verbod op smadelijke godslastering niet alleen op het christendom betrekking heeft. Ook andere godsdiensten komen in aanmerking. In 1934 is in Amsterdam een anarchist veroordeeld, die zich onaardig had uitgelaten over de besnijdenis. Dat opent allerlei perspectieven. Stel iemand zegt of schrijft iets smalends en lasterlijks over Neptunus? Of over Tiberius? Tiberius is na zijn dood tot god verklaard. Caligula al tijdens zijn leven. Moet daar om het uitgeven van Tacitus en Suetonius verboden worden door de rechter?

In Dantes ’Inferno’ (XXVIII, 22 sqq.) wordt Mohammed telkens opnieuw van kop tot kont door een zwaard gespleten, zodat zijn darmen (’I triste sacco / che merda fa di quel che si trangugia’: de treurige zak die poep maakt van wat hij opslokt) uit zijn lijf hangen. Smalende laster, zou ik zeggen. Moeten wij er nu begrip voor hebben als Dantes graf in Ravenna door gekwetste volgelingen van de profeet verwoest wordt?

Neem trouwens de Griekse goden. Stel in Griekenland vereert iemand Zeus cs. Nu komt er een uitgever die de gedichten van Homerus in Nederlandse vertaling wil publiceren. Zeus en zijn medegoden worden door Homerus af en toe in een heel bedenkelijk licht gesteld. De Griekse regering klaagt daarover en bedreigt de uitgever met de dood. Gaat Korthals zich dan beraden?

Dat mensen goden en profeten willen aanbidden, al dan niet met gebruik van afgodsbeelden, is hun zaak. Maar anderen moeten de volle vrijheid hebben om daar smalende en lasterlijke opmerkingen over te maken. Natuurlijk is het onaardig om voortdurend gelovigen te pesten, en het is redelijk om iemands lichtgeraaktheid te ontzien, of het nu zijn gedichten, zijn moeder, zijn god, zijn inkomen of zijn oorlogsverleden betreft maar je mening moet je kunnen zeggen, ook op smalende toon, lichtgeraaktheid of niet.

Het zou een goede zaak zijn als D66, in samenwerking met VVD en Partij van de Arbeid, een wetsvoorstel in zou dienen waarbij de artikelen 147 en 147 a van ons Wetboek van Strafrecht zouden komen te vervallen. Dan zou ons vaderland minder op Iran lijken'.

Deze tekst van Karel van het Reve (1921-1999) verscheen op 4 maart 1989 in Elsevier

Overgenomen uit Dagblad Trouw van zaterdag 13 december 2008


Liberalisme en egalitarisme

Het egalitarisme is een gedachte dat een bepaalde vorm van gelijkheid van mensen moet prevaleren. Die gelijkheid kan verschillende vormen aannemen, van politieke gelijkheid, tot sociale gelijkheid en gelijkheid van mogelijkheden, en is dan ook door verschillende ideologieën verschillend ingevuld. an>Het liberale egalitarisme vind haar oorsprong bij John Locke, die betoogde dat elk mens de ratio bezit, en eenieder daarom met gelijke en onvervreemdbare rechten is geboren. Uit een dergelijke egalitarisme zijn onder andere de mensenrechten en grondwetten voortgekomen. Een andere definitie van egalitarisme richt zich op economische gelijkheid, waarin vervolgens gelijkheid van kans (eenieder moet evenveel kansen hebben tot economische voorspoed komen), zoals verdedigd is door bijvoorbeeld John Rawls, en gelijkheid van uitkomst (eenieder moet een gelijke welvaart bezitten), wat men terug kan vinden in bijvoorbeeld het communisme.


'De toekomst van het liberalisme bestaat erin dat het zich afwendt van het ideaal van rationele consensus en in plaats daarvan zoekt naar een modus vivendi.'

John Gray (1948), hoogleraar Europees denken aan de London School of Economics, is bij een breed publiek bekend geworden met het boek Al-Qaida en de moderne tijd (2003), waarin hij betoogde dat we het hedendaagse islamitische terrorisme tegen de achtergrond van de andere moderne ideologieen moeten bezien.

Die analyse kwam niet uit de lucht vallen. Al langer was Gray bezig met de vraag wat het betekent een liberale samenleving na te streven. Gray stelt dat er twee liberale filosofieen bestaan. Liberalisme gaat over tolerantie: je gunt een ander zijn vrijheid.

In de eerste opvatting is de verdraagzaamheid alleen maar een methode om de waarheid te bereiken: je gaat er vanuit dat we het uiteindelijk eens worden en dat de verschillende levenswijzen ooit verdwijnen.

In de tweede opvatting wordt de vrijheid van de ander op zichzelf gewaardeerd. Het goede leven valt niet onder een noemer te brengen: er zijn verschillende manieren om je leven in te richten. Diversiteit is dus geen middel, maar het doel. 

Het is die pluriforme opvatting die Gray verdedigt. Hij meent dat het daarbij ook gaat om de oorspronkelijke vraag waaruit het liberalisme zich ontwikkelde: hoe kunnen we bij al onze verschillen een modus vivendi vinden?

Uit de filosofiekalender van dinsdag 11 maart 2008 

 


Mill grootste liberaal aller tijden
John Stuart Mill (1806-1873) is in Groot-Brittannië verkozen tot 'grootste liberaal aller tijden'. Toch zijn er grote verschillen tussen Mills liberalisme, en liberalen van nu. 
De verkiezing werd georganiseerd door de Liberal Democrats, de derde partij van Groot-Brittannië. De uitkomst is enigszins verrassend; Mill versloeg bijvoorbeeld John Locke (1632-1704), toch de grondlegger van het liberalisme. Mill-biograaf Richard Reeves wijst in het dagblad The Guardian op het verschil tussen het klassieke liberalisme, en Mills liberalisme. Beide stellen weliswaar de individuele vrijheid boven alles. Maar volgens het klassieke liberalisme betekent dit dat de overheid zich zo min mogelijk moet bemoeien met de manier waarop de burger zijn leven inricht, want dwang sluit vrijheid uit. Volgens Mill echter is niet zo zeer dwang, maar afhankelijkheid de grootste bedreiging van vrijheid. De overheid moet een actieve, soms dwingende rol spelen bij zelfontplooiing, ontwikkeling en emancipatie van de burger, zodat die niet afhankelijk is van de mening van anderen, maar zélf een mening kan vormen. Zo was Mill een vroege voorvechter voor vrouwenemancipatie. 

 


Nexus Conference / Frits Bolkestein, Amsterdam 13 november 2005

On a Good Society

There are some who are inclined to think that European civilisation reached its zenith during the Middle Ages. At that time Europe knew but one religion - Christianity in its Catholic version - and but one language, at least for the elite, and that was Latin. Therefore people of all nationalities could study at the Universities of the Sorbonne or Oxford, Louvain or Bologna.

I do not agree with this thesis because I find penicillin and the modern dentist drill also important. But I recognise that a common language and framework favour communication because much which may be considered known can be omitted. I can assure you that who ever wants to talk on Java in Indonesian or in Tanzania in Swahili on local traditions, will have to start at zero. A real discussion then remains out of reach. So there is a lot to be said for such a common cadre for reference. Let us call it the canon.

It was a happy occasion when Prof. E.D. Hirsch of the University of Virginia published a book called “Cultural Literacy” in 1987. Its subtitle was: “What every American needs to know!”. Its appearance was front page news. The criticism was immediate and sharp. Prof. Hirsch was criticised for unduly concentrating on d w e m = dead white European males, and excluding other cultures as well as the experience of repressed minorities in the United States.

It is clear that this takes us to the heart of the debate on multiculturalism. The origin of this concept is to be found in anthropology. When one visits a culture in order to observe it from the inside one should abstain from letting one’s own judgements intrude. That seems common sense, even though one may well question whether certain anthropologists have obeyed this injunction. But the point I wish to make here is that this principle of non-judgmentalism has of late been allowed to spread over the whole of the public domain.

Now it is my thesis that all civilisation depends on discriminating people, on people who make judgments. I, for one, am very judgmental. I prefer Beethoven tot Hindemith and both to the bongo-players on the corner of the street. I prefer claret to beer, Japanese to German food and New York to Philadelphia. And that also goes for civilisations. Multiculturalists maintain that one cannot - or should not - rank civilisations. But I persist in believing that the civilisation of Rome was superior to that of Gaul.

My critics ask which yardstick I use. The one that most readily comes to mind is the Universal Declaration of Human Rights. Applying that yardstick enables me to say that I consider Unionist America to be superior to the slave-holder Confederacy and West Germany superior to communist East Germany.

It is true that the Universal Declaration is of Western origin. When it was drawn up, around the birth of the United Nations, Africa and most of Asia were still colonised. Japan, Italy and Germany had lost the war and were therefore excluded. So there was the first world - the United States, Britain, France - and the second: the Soviet Union and its satellites. The Committee to draw up the Declaration was chaired by Eleanor Roosevelt. When it came to the vote, the Soviet-bloc abstained. So, yes, it was of Western origin. But the incident at Tien An Men Square and many others all over the world have convinced me that all ordinary people, wherever they live, aspire to the benefits of the Universal Declaration. As such the Declaration is perhaps the greatest achievement of Western Civilisation and an argument to support the thesis of Mr. Francis Fukuyama about the End of History and the Last Man.

If one applies the yardstick of the Universal Declaration of Human Rights to the islamic civilisation it ought to be clear that Western Civilisation is superior to it. Now this, say my critics, is triumphalism. But apart from the fact that personally I do not feel triumphant to all, this reproach should not blind us to the facts. Why do so many who live in the Middle East want to settle in Western Europe? Because they think they will be happier here than there. Why do so many of them say: “Yankee go home but please take me with you”? There is none so blind as the multiculturalist ideologue.

Mr. Silvio Berlusconi said something like this a few years ago. Now I have no desire whatever to defend the Italian Prime Minister. But still, the chorus of his critics was deafening and in the end he caved in and apologized.

Why were so many people upset that Mr. Berlusconi extolled the superiority of Western over Islamic civilisation? Is it because they fear that such comparisons, although glaringly obvious to any impartial observer, will encourage terrorists? Or that it has caused the government of Iran to call the USA the great Satan and to say that Israel should be wiped off the face of the earth?

In my view the reason is different, namely the lack of self-confidence of Western Europe. I am here leaving aside the United States, about which others may wish to say something. Why does Western Europe lack confidence in its own culture, of which the whole debate on multiculturalism is an outcrop? Opinions on this differ. My view is that it is the combined result of the First World War, the confusion of the interbellum, the Second World War and in particular the Holocaust, and the cultural revolution of 1968 and the years thereafter. Without the Dutch feelings of guilt over the Holocaust, the political correctness associated with the multiculturalist dogma would here not nearly have been as pervasive at it has been.

This lack of self confidence – which, incidentally, has also corroded the European Commission - has surfaced most clearly in the debate on the Enlightenment. A new term has invaded our discourse. It is “Enlighentmentfundamentalism”.

What does this oxymoron mean?

Since a few years there is a new current which attempts to downgrade the Enlightenment. An important person in this movement is Prof. John Gray of the London School of Economics, according to whom just about all modern evils have come out of the Enlightenment: not only Communism and thus the Gulag but even National-Socialism. One should have thought that if there were anyone who had turned himself against the Enlightenment, it was Hitler. But Prof. Gray persists in seeing both Communism and National-Socialism as attempts to rearrange society according to some preconceived plan, one might say some intelligent design. But to reduce the Enlightenment to Saint-Just and Babeuf is grotesque.

There have been various forms of the Enlightenment. The Scottish moralists maintained that each person had his unique worth. The German Enlightenment stressed the humanities. Read Lessing’s Nathan der Weise and the parable of the three rings. It is true: the Enlightenment in France was more aggressive and perhaps more fundamental. But to base the oxymoron Enlightenmentfundamentalism on this aspect alone is bizar.

Where has the movement come from? It has multiculturalist antecedents. It is the view of people who dislike critics of the Islam. These critics point at aspects of the islamic civilisation which are at variance with fundamental Western values like the equality of men and women and the importance of a free and independent judgement.

“Sapere aude” - dare to think - wrote Kant but that core of the Enlightenment is rejected by the dogma’s of the Islam. Those who critize these dogma’s are accused of engaging in an “intellectual jihad” against the Islam. The interesting thing is that the people who use the term Enlightenmentfundamentalism may be counted among the left part of the political spectrum, at least in this country. It is they who have always been critical of the Catholic and Reformed Churches. It is they who have always supported feminism. But now that the Islam is concerned, critics of its civilisation are accused of advocating an “aggressive universalism”. The accusers are critical at home, conformist abroad. Or to put it in another way : they think that the splinter in our own eyes is heavier than the mote in the eye of the other.

Now for those among you who may think this is nitpicking among bored intellectuals I have news. The Dutch Minister of Justice Donner has said: “The Enlightenment, the idea that there is no more than what you can see or understand with your mind, is also a belief”. So according to him Protestantism, Catholicism, Islam and the Enlightenment are ranked equally: all four a belief. But the Enlightenment wants to submit all religions to the Critique of Reason. It precedes belief.

Another example is afforded by our Minister of Education Maria van der Hoeven who wants a broad debate about Evolution and Creationism, maintaining that the theory of Evolution is not complete. That may be true - which theory is complete? - but to say that not everything has been explained is of course not offering an alternative hypothesis. The Minister wants to mix belief with science. Scientists want to keep them separate. “I think that is a pity”, says the Minister, “the force of science is precisely to acknowledge the other in his science!”. She thus declares the biblical story of the creation to be a science, which of course it is not.

pan>Do not think that this sort of things is confined to The Netherlands. It has been proposed in Canada to give the sharia force of law for those who wish to have recourse to it. Fortunately the proposal had been defeated. On 21 June 2005 a bill has been enacted in the UK called the “Incitement to Religious Hatred Act”. We have had half a millennium of criticism of the Bible. Why should that sort of criticism be confined to Christianity? “Do we really have to fight for the Enlightenment all over again?” Salman Rushdie recently cried out in despair.

I recently read an account of a public debate which involved religion. First came a Buddhist who spoke of enlightenment and how to still desires. The members of the panel reacted by saying :”Wow, great, if it works like this for you, then it must be OK”. Second was a Hindu who spoke of reincarnation. And everybody said :”Wow, great, if it works like this for you, then it must be OK”. And so it went on until a Catholic priest spoke of Jesus, redemption and the eternal life. And again everybody said :”Wow, great, if it works like this for you, then it must be OK”. But the priest did not take this lying down. He thumped the table and shouted : “Whether it works for me is irrelevant. It is the true word of the living God and if you are not prepared to believe it, you are all condemned to hell.” And everybody said: ”Wow, great, if it works like this for you, then it must be OK”. The question was : what is a good society? The answer is : one that cherishes the values of the Enlightenment and encourages discrimination and judgmentalism, one that abhors political correctness and cant.

 Overgenomen van de website www.fritsbolkestein.com

 


Liberaal filosoof John Stuart Mill

Tweehonderd jaar geleden werd de liberale filosoof John Stuart Mill geboren. Inmiddels heeft het liberalisme een ware zegetocht over de wereld gemaakt . Zou de grote denker daarover nu tevreden zijn Allesbehalve, vermoedelijk.

Begin april kwamen geleerden en studenten van over de hele wereld bij elkaar om aan de Universiteit van Londen stil te staan bij de tweehonderdste geboortedag van John Stuart Mill (1806-1873). Hun pelgrimage gold een groots opgezette, driedaagse, conferentie waarop het geestelijk erfgoed van de beroemde pleitbezorger van individuele vrijheid en vrouwenrechten, van alle kanten werd bekeken. Wie vooraf mocht denken dat Mill een dode filosoof is, werd hier de ogen geopend. Bijna alle 'Mill-scholars' waren present, naast academische supersterren als Peter Singer en Martha Nussbaum. Behalve Engelsen, Amerikanen en Canadezen, namen er opvallend veel Fransen, Spanjaarden, Italianen en Grieken deel en zelfs enkele Japanners. De deelnemerslijst leverde een aardig beeld op van wáár Mill wordt gelezen - en waar niet: Nederlandse en Vlaamse deelnemers ontbraken bijna volledig.

In de potpourri van onderwerpen die de conferentie aan de orde stelde ('hoe groen is Mill'), was er één vraag die steeds weer opdook: zijn de inzichten van Mill, die een leven lang zoekend en tastend inhoud heeft gegeven aan de liberale grondwaarden, in staat om de verschraling van het hedendaagse liberalisme tegen te gaan Zorgen om die verschraling leven niet alleen in Nederland, maar ook in veel andere landen. Het hedendaagse liberalisme lijkt steeds meer in het teken te staan van overmatig consumentisme (de vrijheid om te kopen) en van doorschietend gelijkheidsdenken, dat het liberalisme soms tot populisme maakt (alle meningen zijn gelijk, dus is de meest gehoorde mening maatgevend). Een veelgehoorde klacht is ook dat het liberalisme te sterk economisch en nauwelijks cultureel gemotiveerd is (de ongelimiteerde vrijheid om te verdienen). Het individualisme verwordt tot kortzichtig egoïsme (het gaat om mijn vrijheid, en wel nu).

Maar is Mill niet juist de oorzaak van deze verschraling van het liberalisme Nietzsche vond van wel. Hij beschouwde Mills veelbesproken 'utilitarisme' al als het summum van oppervlakkigheid en platvloersheid; de ideologie van het kleinburgerlijk geluk. En inderdaad, wie nog gelooft in het traditionele beeld dat zo vaak van Mills filosofie is geschetst, zal misschien denken dat zijn geluksfilosofie de wegbereider is geweest van het hedendaagse consumentisme.

Dat traditionele beeld komt hierop neer: Mill was de leerling van Bentham; beiden dachten dat het menselijk gedrag te verklaren is uit het zoeken van genot en het mijden van pijn. Zodoende zag Mill de mens als een hedonistisch wezen. De hoogste ethische norm die hij de mensheid voorhield was dan ook dat we 'het grootst mogelijke geluk voor het grootst mogelijke aantal mensen' dienen na te streven. Wel zorgde hij in zijn Utilitarianism (1861) voor een nuancering van het werk van Bentham, door onderscheid te maken tussen de lagere genietingen (zoals consumptief genot) en hogere (zoals intellectueel en cultureel genot). Verder wordt Mill vaak getypeerd als iemand die, in navolging van klassieke economen als Smith en Ricardo, geloofde dat de vrijheid van economisch handelen de kortste weg is naar welvaart en sociaal welzijn. Zijn filosofie van geluk, welvaart en nuttigheid culmineerde in een klassiek geworden pleidooi voor bescherming van de individuele vrijheid: On Liberty (1859). 'Over zichzelf, over zijn eigen lichaam en geest, is het individu soeverein', schreef Mill. Hij formuleerde daarbij een 'zeer eenvoudig principe': de overheid mag aan de individuele gedragsvrijheid slechts beperkingen stellen wanneer het heel waarschijnlijk is dat een bepaalde gedraging of nalatigheid anderen zal schaden. Dit staat bekend als het 'harm-principle'. Schaadt men echter alleen zichzelf, dan is collectief ingrijpen niet gerechtvaardigd. Laat iemand vooral op zijn eigen blaren zitten. Nog steeds veelgehoord is tenslotte de opvatting dat Mill in On Liberty een louter 'negatief' vrijheidsbegrip hanteerde; vrij zijn betekent in de eerste plaats verschoond blijven van overmatig overheidsingrijpen.

Volgens John Skorupski in zijn Why Read Mill Today is Mill allerminst de bron van liberale verschraling, maar biedt hij juist een uitweg uit de impasse. Skorupski, hoogleraar moraalfilosofie aan de Schotse universiteit van St. Andrews, beveelt Mill nadrukkelijk aan, omdat deze het krachtigste en meest complete beeld schetst van wat liberalisme is en kan zijn: vrijheid van denken en zelfontplooiing - en dat allebei op het hoogste niveau dat binnen het menselijk bereik ligt. Hiermee biedt Mill een liberalisme dat intellectuele substantie heeft, dat zich niet doctrinair afsluit voor andere waarheden of discussies over zijn eigen principes het liefst ontloopt. Een denkend liberalisme dus van reflecterende burgers - in plaats van het economisch pragmatisme dat vooral bezig lijkt met veel geld verdienen. Vrijheid, opgevat als vrijheid van denken, leidt volgens Mill naar de waarheid, naar positieve kennis, omdat het de ruimte biedt om min of meer gevestigde opvattingen steeds opnieuw ter discussie te stellen, in een voortdurend proces van wetenschappelijke reflectie.

Skorupski ziet Mill als tegenpool van Nietzsche. Mill vertegenwoordigt onmiskenbaar het objectivisme met zijn positivistische wetenschapsidee en zijn 'consequentialistische' ethiek ('goed is wat goed werkt en dat merkt men aan de gevolgen') . Met Nietzsche doet het subjectivisme van de persoonlijke wil en de individuele existentie zijn intrede ('goed is wat ik goed vind'). Skorupski laat doorklinken dat het liberalisme zich steeds meer naar Nietzsche is gaan richten en steeds minder naar Mill. We zijn het geloof in de objectieve waarheid kwijtgeraakt en hebben er talloze subjectieve 'wilswaarheden' voor in de plaats gezet.

Voor Mill is het denken vrij zolang het niet wordt beheerst door enigerlei externe autoriteit. Maar bepaalde vaste principes zijn onmisbaar als interne autoriteit. Het denken moet zich onderwerpen aan zijn eigen principes, die het leert kennen door op zichzelf te reflecteren. De vrijheid van denken geeft het denken autoriteit: 'Juist een volledige vrijheid om onze opvattingen tegen te spreken en te weerleggen, is de beslissende voorwaarde die ons het recht geeft om aan te nemen dat zij waar zijn en ernaar te handelen.' Alleen zo kunnen we wetenschappelijke vooruitgang boeken en, stap voor stap, de objectieve waarheid leren kennen, zonder vrijheid in te leveren.

Wat Mills liberalisme daarnaast kenmerkt, is het normatieve karakter ervan. Mill was een public moralist; zijn politieke filosofie wilde een moreel kompas zijn. Steeds was zijn achterliggende vraag: hoe behoort de mens zich in het publieke domein te gedragen Niet de (goede of kwade) intenties die iemand erop nahoudt achtte hij moreel relevant, maar de gevolgen (die objectief zijn vast te stellen). Zij bepalen het morele gehalte van een daad.

Zijn normen ontleende Mill aan de Griekse deugdethiek. Hij betoogde bijvoorbeeld dat vrijheid voortkomt uit klassieke zelfbeheersing: vrij is degene die zijn lagere verlangens zodanig in de hand heeft dat hij kan streven naar het bereiken van een hoger artistiek, intellectueel of ideëel doel. Liberalisme als vrijwillige onthouding - dat kenmerkt Mill meer dan oppervlakkig hedonisme of het zelfzuchtige 'vrijheid blijheid'. Een goede daad levert een nuttige bijdrage tot het bereiken van het grootst mogelijke geluk voor het grootst mogelijke aantal personen. 'Geluk' kon daarbij een alledaags geluksgevoel of vrijwaring van gebrek zijn, maar ook geluk in termen van de klassieke hogere deugden. Mill was nooit bang om te beweren dat bepaalde daden of opvattingen objectief goed of slecht zijn. Die manier van denken contrasteert scherp met het waardenneutralisme, waaraan het huidige liberalisme zo verknocht lijkt.

Mill was een zeer kritische erfgenaam van de Verlichting. Niet alleen doordat hij teruggreep op klassieke idealen, maar ook doordat hij zich liet inspireren door de romantische idee van het krachtige, creatieve genie. Net als de romantische dichter Coleridge, waardoor Mill sterk werd beïnvloed, geloofde hij heilig dat de culturele elite van de burgerij - als opvolger van de oude elite van kerk en adel - het volk diende op te voeden, om het geschikt te maken voor de uitoefening van de nieuwe democratische rechten. Hoewel Mill een overtuigd democraat was, wenste hij het individu dat er afwijkende meningen op nahoudt te beschermen tegen de 'tirannie' van de democratische meerderheid en tegen het 'juk' van de publieke opinie. Populisme en individualisme waren voor hem onverenigbaar.

Hoewel hij consequent opkwam voor het individu, lijkt Mill in bijna niets op het type liberaal dat de staat beschouwt als een in wezen overbodig instituut. Hij zag zelfs een opvoedende taak voor de overheid om de deugdzaamheid en intelligentie van het volk te bevorderen. Als utilitarist was Mill bovendien gericht op het algemene nut of welzijn. Uiteindelijk moet de politicus zich volgens hem niet laten leiden door de (subjectieve) volkswil, maar door het (objectieve) belang van het volkswelzijn. Vrijheid is bij hem bovenal de vrijheid van individuen om hun menselijk potentieel zo volledig mogelijk te ontwikkelen. Alleen langs die weg is de hoogst mogelijke vorm van welzijn bereikbaar. Skorupski acht dit zo kenmerkend voor Mill dat hij het 'the Millean principle' noemt.

In iets meer dan honderd bladzijden geeft Skorupski, helder argumenterend, overtuigend zijn visie op de actualiteit van Mills filosofie. Robert Devigne, hoogleraar politieke wetenschappen aan de Amerikaanse Tufts-universiteit, onderstreept in zijn Reforming Liberalism nog nadrukkelijker dat het Mill niet alleen ging om vrijheid, maar ook om wijsheid, om human excellence. Hij was, anders dan het hedendaagse liberalisme dat zich heeft aangepast aan de egalitaire samenleving, niet bang voor het verwijt elitair en intellectualistisch te zijn.

Devignes uitgebreide studie sluit uitstekend aan op het betoog van Skorupski. Devigne zet vooral uiteen wat we van Mill zouden moeten lezen en hoe. Zijn boek is een hartstochtelijk pleidooi om het niet bij het beroemde On Liberty te laten, maar om de hele Mill af te stoffen. Alleen dan wordt zichtbaar dat Mill niet in de eerste plaats de voortzetter was van het 18de-eeuwse Engels-Schotse liberalisme van Locke, Hume en Adam Smith. In werkelijkheid is dat liberalisme, met zijn overwegend negatieve vrijheidsbegrip - het vrijwaren van het individu van staatsbemoeienis, zonder in positieve termen aan te geven tot welk ideaal van mens en samenleving die vrijheid moet leiden - door Mill fundamenteel hervormd.

Ook Devigne schetst hoe Mill hierbij gebruik maakte van de klassiek-Griekse deugdethiek, om het oorspronkelijke liberalisme met vaste waarden te versterken, en hoe hij aan de Romantiek het ideaal ontleende van een hoogstpersoonlijke inrichting van het eigen leven. Maar vrijheid werd door Mill niet uitsluitend gekoppeld aan individuele zelfbeschikking, maar ook aan de culturele evolutie van een natie. Mill geloofde dat de geschiedenis een vaste volgorde van ontwikkelingsstadia laat zien. Alleen de hoogst ontwikkelde landen waren toe aan de volwaardige vrijheid van het individu. Zo probeerde hij de beginselen te formuleren van een algemeen Europees liberalisme. Daarmee tilde hij het liberale denken uit boven de beperkingen van zijn Angelsaksische oorsprong. Mill had bij uitstek een Europese agenda - ook dat maakt zijn werk actueel.

Net als Skorupski legt Devigne de verbinding naar het hedendaagse liberalisme, dat de echte lessen van Mill niet schijnt te kennen en voortdurend terugvalt op het negatieve vrijheidsbegrip van diens voorgangers. Daarmee doen liberalen zichzelf en hun rijke traditie tekort. Aan de ene kant wordt de negatieve vrijheid verabsoluteerd om (ongericht en ongeremd) persoonlijke passies te kunnen najagen, zonder onderliggend positief geformuleerd ideaal. Aan de andere kant wordt de burger voortdurend tot gehoorzaamheid gemaand met een tamelijk leeg beroep op verantwoordelijkheidsbesef. Devigne wijt deze spagaat aan die merkwaardige voortgaande oriëntatie van het liberalisme op de 18de eeuw, toen men wel een (negatief) vrijheidsbegrip invoerde, maar nog niet in staat was om los te komen van christelijke geboden, die gehoorzaamheid en volgzaamheid vereisten.

Mills liberalisme staat ongeveer even ver af van dit klassieke liberalisme als van het hedendaagse. Misschien is de afstand tot wat we nu onder liberalisme verstaan wel zo groot geworden, dat een volledige terugkeer naar Mill onmogelijk is. Toch laat onder meer de hernieuwde belangstelling voor Kant zien dat een normatief liberalisme in onze ankerloze tijd weer aantrekkingskracht heeft. Wellicht heeft de eenzijdige associatie van vrijheid met ongebondenheid dan toch zijn langste tijd gehad.

De democraat Mill was niet bang om voor elitair te worden versleten

Vrijheid kan niet bestaan zonder het handhaven van stevige principes

John Stuart Mill (1806-1873)John Stuart Mill vond, terugblikkend, dat hij een 'onbewogen leven' had geleid. Maar zijn fameuze Autobiography (postuum verschenen in 1879) laat een ander beeld zien. Vanaf driejarige leeftijd was de kleine John Stuart door zijn vader onderworpen aan een persoonlijk lesprogramma, dat de tomeloze ambitie verried om van hem een filosoof van de eerste rang te maken. Mill stond hierdoor zijn levenlang bekend als een made man, wandelend symbool van het Verlichtingsgeloof dat de mens maakbaar is. Door die loodzware ambities overmand, viel Mill als twintigjarige al ten prooi aan een psychische crisis. Hij zou daar uiteindelijk versterkt uit tevoorschijn komen en voortaan zijn eigen weg gaan. In zijn persoonlijk leven kwam die nieuwe onafhankelijkheid tot uiting in zijn veelbesproken relatie met een gehuwde vrouw, de nogal eigenzinnige Harriet Taylor, door tijdgenoot Carlyle plagerig 'Mrs. Platonica Taylor' genoemd. Aan het beeld van Mill als wonderkind en 'bright young man' werd zo een dosis meewarigheid toegevoegd. Maar door zijn nooit aflatende publicatielust bouwde hij, eigenlijk precies zoals zijn vader het had gewild, de reputatie op van de grootste filosoof van zijn tijd. Zijn System of Logic, (1843) was decennialang hét academisch handboek voor kennis- en wetenschapsleer. Zijn On Liberty (1859) en Representative Government (1861) maakten hem tot de meest vooraanstaande denker over politiek en maatschappij. Toen hij in 1873 in Avignon ten gevolge van een geheimzinnige ziekte overleed, werden in de straten van Londen speciale edities van de kranten uitgedeeld om het onverwachte nieuws te brengen. Dat tekent zijn roem, die hem de geuzennaam 'the Saint of Rationalism' opleverde.

John Stuart Mill, getekend door Johnny Wateridge in NRC Handelsblad van 4 augustus 2006

 


Voor een animatie over de filosofie van de vrijheid klik op dit url;

http://www.libertarian.nl/liberty/dutch.html


 

 

Peiling

Affiches op verkiezingsborden is uit de tijd

Peiling

Het wordt tijd voor één Gemeente De Langstraat

Peiling

De nieuwe Els moet vooral niet groter maar gezelliger worden

Peiling

VVD-CDA kabinet met PVV steun was goede zaak voor Nederland

Peiling

Ook gemeente zal tering naar de nering moeten zetten